Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»De bilden, de waren ’s graven

Ende maken dede met sire haven,

Dede hi bringhen voer der borghe

Ende ded’ er hem mede anxt ende sorghe,

Eer si ’t huis op wilden gheven.” (V vers 575—g.)

Als daarna bij ’t ontzet van Medemblik een dozijn of drie Friezen door die van Holland waren neergeslagen, komt de grimmige toorn aan het woord en spreekt bits:

Bisscop willam, deze noot

Heb die den Vresen nu beraden.

Noch dedi hem meere scaden.

Dit mach wondren eiken man.

Wat hiere waende winnen an

Dat hi aldus de verrader

Stercte, de met rechte vader

’s Graven sonde hebben ghesijn. (V v. 796—803.)

De vlijmende spot komt straks ook dienst doen:

»Nu hoert van desen heyleghen vader.

Wat wondre dat hi hevet bedreven:

Dat aldaer verslaghen bleven

So vele Inde, dat wonder was . . . (VI v. 70—3.)

Nog iets uit den slotzang, door den rijmer aan den bisschop gewijd. Toen deze in den zomer van 1301 (bij geruchte alleen) in den lande van Amstel viel, dicht Melis hem toe:

Ende HoUant waende hi dorvaren

Ende verharen ’t met sinen scaren. (VII v. 869—70.)

Maar genoeg, het alziende oog viel Melis gewis niet ten deel: de krijgsplannen, welke de bisschep koesterde, heeft deze voorzeker niet laten uitlekken; des schrijvers duim moet dan wel de bron zijn, waaruit die aantijging voortwelde.

Zal ieder, wien de waarheid lief is, niet zeer wijs doen, als hij bijzonder voorzichtig is tegenover elke getuigenis van Melis Stoke?

Sluiten