Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen hierdoor de wensch naar verbetering nog meer aangewakkerd was,gaf het zilveren feest van onzen nieuwen Aartsbisschop, Mgr. H. VAN de Wetering, een gewenschte en geschikte aanleiding om de zaak verder te drijven.

Het priesterkoor zou een nieuw feestgewaad, aantrekken: nu, dan mocht zijn tegenhanger, het westportaal met zangkoor, ook zoo niet blijven.

Ondergeteekende, door Z. D. H. tot een voorloopige bespreking ontboden, vernam, dat benevens vergrooting van zangkoor en portaal, een doopkapel gewenscht werd en zoo mogelijk gelegenheid om een paar redelijk zware klokken te plaatsen.

Een trap was broodnoodig, niet alleen om het zangkoor, maar ook om de goten en daken gemakkelijk te kunnen bereiken, wat tot nu toe een zeer eigenaardige en moeilijke expeditie geweest was.

Met den H. E. Deken en het kerkbestuur werd omtrent dit alles in nader overleg getreden. Ook de verdienstelijke directeur van ’t zangkoor (kap. Fr. Eppink) en de befaamde orgelbouwer (M. Maarschalkerweerd) werden geraadpleegd over de beste inrichting van hun domein.

Wat stijl en vorm aangaat, meende Monseigneur geen beteren leidsman te kunnen aanwijzen dan den Deken van het St. Bernulfusgilde Mgr. Van Heukelum, die gedurende een menschenleven zijn zorgen aan de St. Catharinakerk gewijd had, voor wien geen moeite te veel en geen offer te groot was geweest, om haar op te luisteren, die weldra als kanunnik weêr op ’t nauwst met haar verbonden zou worden. Ook het gevoelen van den heer J. Lindsen, zijn vice-deken, zijn vriend en medestrijder, zou worden ingewonnen.

Sluiten