is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1901, 1901

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heer pastoor verzogt bij hem te hebben, is dit door den Schout belet geweest, hetzelve in geener manieren willende toelaaten.

Hij heeft altijd met devotie bij hem gehad een beeldeken van onse Lieve Vrouw, geslooten zijnde in een coopere doosken, hetwelk tot nog toe is in de handen van den Schout.

Den Schout heeft hem eenige reizen gedreigt te sluiten in eenen kelder, maar zekere geestelijke dogter met naam Antonia Geurden in het nabij gelegen dorp woonende (: dewelke desen pater naar haare magt en middelen met groote affectie verscheide weldaaden beweesen heeft:) heeft haar zelven hier altijd tegengesteld, onder andere zeggende aan den Schout dat hij, en sijns gelijken grootelijks klaagden over den koning van Vrankrijk, dat hij soodanige wreedheden gedaan hadden aan de Protestanten van Vrankrijk.

Voorts heeft den voorseiden pater nog eenen anderen gestigtigen brief geschreeven aan seine moeder en zusters, met denwelken hij meer zijn best doet, om haar te vertroosten, alswel om zijnen troost te zoeken, en ten laatsten heeft hij den 22 April sijnen laatsten brief geschreeven aan den Zeer Eerweerdigen pater Provinciaal, denwelken luijd aldus: In de zevenste maand van mijne gevangenis, heb ik ontvangen UE. troostelijk schrijven, door hetwelk mijn gemoed is verblijd geweest, want als ik overpeijse, dat ik ben gevangen met Christus en voor Christus, alhoewel ik niet gebonden ben, soo worde ik vervult met trooV, aangesien dat niet de grootheid der tormenten, maar de liefde Gods eenen martelaar maakt, daar en boven heeft den Heer mij overgezonden eenekoorse,diemij een halfjaar afgeteerd heeft, en nog niet ophoud, mij ontbree-