is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1901, 1901

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het verhaal eene rol spelen? De tweede kerk (die ik gemakshalve als hooge heb aangeduid) kan geen oogenblik twijfelachtig zijn: wij weten met zekerheid, dat de overblijfselen van Bonifacius’ dertien medgezellen gerust hebben in de St. Salvatorskerk i). Welke kerk, dichter bij de Maartensbrug gelegen dan de St. Salvatorskerk, wordt nu echter met de eerste kerk bedoeld? Is het de St. Maartensdom, die volgens de oude overlevering reeds door Willibrord gesticht zou zijn? Of wel de H. Kruiskapel, die, zooals wij weten, tusschen de beide kerken in lag?

Ook hier kan de keus nauwelijks twijfelachtig zijn. Uit het verhaal weten wij, dat het bedoelde kerkje kleiner was dan de St. Salvator, en hoewel de oude overlevering door Willibrord dwaselijk eene tweede kerk vlak naast zijne eerste laat bouwen, zóó dwaas is zij toch niet geweest, dat zij door hem de tweede kerk, die gesticht zou zijn om aan den luister zijner 'pas verkregene aartsbisschoppelijke waardigheid evenredig te zijn 2), kleiner heeft doen aanleggen dan de .St. Salvator, die voor deze waardigheid juist te onaanzienlijk zou geschenen hebben.

Maar er is meer: de kleine kerk kan onmogelijk de Dom geweest zijn: immers de inwoners van den burg, die zich voorgenomen hadden, om den heilige te vereeren door eene bijzetting in hunnen Dom (»in Basilica majore”; de Dom heette altijd: »Ecclesia major”), brachten het lijk zonder aarzeling naar de tweede ons reeds bekende kerk (»ad alteram

1) Beka, Chronica. p. i 6. Heda, Historia. p. 36.

'2) »Iu qua caüiedralem sedem stabiliri jussit,”, zegt Beka (Chrouica. p. 9).