Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. 260

Algemeen gedeelte 32.

No. 32 — 1932

welke door de uitgestoken vlaggen een feestelijk aanzien had verkregen.

Precies om 10 uur trad op de gebruikelijke wijze onder de tonen van het „Gaudeamus", door de aanwezigen staande aangehoord, het College van Curatoren binnen, gevolgd door de vertegenwoordigers der Faculteiten der Rechtsgeleerdheid en Geneeskunde te Batavia en de leden der Faculteit van Technische Wetenschap te Bandoeng.

Nadat ieder weder had plaats genomen, betrad prof. dr. W. Boomstra het podium voor het uitspreken eener rede, welke helaas hier niet in haar vollen omvang plaats kan vinden, doch waaraan enkele meer saillante onderdeden ontleend mogen worden.

Zoo werd in de eerste plaats betreffend de studieresultaten ter kennis gebracht dat

„bij het begin van den afgeloopen cursus het aantal voor de eerste maal ingeschrevenen 49 bedroeg. De verlengde examens, die in Juli van het vorige jaar werden gehouden, hadden het volgende resultaat: in het eerste jaar 8 geslaagd, 5 afgewezen, in het tweede jaar 5 geslaagd, 0, afgewezen. Het totale aantal ingeschrevenen in het eerste jaar bedroeg aanvankelijk 72. Reeds spoedig bleek, dat de waarschuwing der Faculteit, de ingenieursstudie niet te beginnen met een te geringe mate van aanleg en onderlegdheid in de exacte vakken, door velen niet voldoende ter harte was genomen. Gedachtig aan het spreekwoord: ,,beter ten halve gekeerd dan ten heele gedwaald" meende de Faculteit tegen de Kerstvacantie aan 15 studenten van het eerste jaar den welgemeenden raad te moeten geven, een voor hen niet geschikte studie maar liever af te breken. Deze raad werd door sommigen inderdaad opgevolgd, anderen gaven er de voorkeur aan nog een poging te wagen, die evenwel voor geen enkele dezer candidaten met gunstigen uitslag werd bekroond. Behalve de 15 studenten in het eerste jaar, die met Kerstmis het consilium abeundi kregen, ontvingen er 19 op dat tijdstip de mededeeling, dat hun studieresultaten zeer onbevredigend waren en dat alleen bij uiterste krachtsinspanning eenige kans van slagen kon worden voorspeld. Deze mededeeling heeft bij 3 dezer candidaten succes opgeleverd, terwijl nog 2 anderen eerstdaags door een verlengd examen in de gelegenheid zullen worden gesteld, hun geschiktheid voor de verdere studie te bewijzen. Het totale resultaat van de studie in het eerste jaar wordt daardoor het volgende: ingeschreven 72, studie gestaakt in den loop van den cursus 13, voor of gedurende het examen teruggetrokken 11, geslaagd 23, verlengd examen 5, afgewezen 20. Aannemende, dat de verlengde examens gunstig uitvallen, zouden dus 28 van 72 candidaten, zijnde 39%, de studie in het tweede jaar kunnen voortzetten. Evenwel komen onder de afgewezenen een aantal jongelieden voor, van wie verwacht mag worden, dat zij zich bij een eventueele herhaling van de studie in het eerste jaar nog wel zullen ontwikkelen tot voldoende geschiktheid voor de ingenieursstudie. Daarentegen is aan degenen, die twee maal in het eerste jaar werden afgewezen, geen toestemming verleend om voor de derde maal de eerstejaarsstudie te volgen. Tot nu toe had de Faculteit geen gebruik gemaakt van haar bevoegdheid tot dezen maatregel".

„In het tweede studiejaar waren de resultaten: ingeschreven 29, geschorst wegens ongewenscht optreden 1, teruggetrokken gedurende het examen 1, geslaagd 15, verlengd examen 2, afgewezen 10, vermoedelijk resultaat 59% geslaagd".

„Het derde studiejaar leverde de volgende resultaten op: ingeschreven 15, teruggetrokken gedurende het examen 1, geslaagd 13, verlengd examen 1, vermoedelijk resultaat 93% geslaagd".

„In het vierde studiejaar waren 12 ingeschrevenen, waarvan er 10 slaagden voor het ingenieursexamen, terwijl 2 werden afgewezen. Het resultaat is derhalve 83% geslaagd".

„Het totale aantal Bandoengsche ingenieurs wordt door dit examen gebracht op 97. Van deze slaagden er 53 in den normalen tijd van 4 jaar, 21 in 5 jaar, 15 in 6 jaar, 3 in 7 jaar, 4 in 8 jaar en 1 in 10 jaar. Hieruit laat zich een gemiddelde studieduur van 4,8 jaar berekenen".

„Van de 5 candidaten, die de ijkstudie volgden, behaalden er 4 het diploma voor Ijker."

„Evenals voor zoovele andere jonge mannen is het voor de afgestudeerde ingenieurs een teleurstellende ervaring, dat tengevolge van de tijdsomstandigheden op de arbeidsmarkt naar hen geen vraag is. Dit is in nog sterkere mate het geval voor de jongelieden, die het vorige jaar door het gouvernement in opleiding werden genomen voor ijker, omdat voor hen

niet zooals voor de ingenieurs de weg tot particuliere werkzaamheid open staat".

„Aan het tweede gedeelte van de opleiding voor de middelbare akte wiskunde K I werd deelgenomen door 22 candidaten. Examenresultaten kunnen nog niet worden medegedeeld, behalve dat 1 deelnemer vóór den tijd examen deed en slaagde. Van de opleiding 1928—'30 slaagde nog 1 candidaat".

„De aan het Bosscha-laboratorium verbonden opleidingsschool voor instrumentmakers en glasblazers leverde dit jaar 6 instrumentmakers en 3 glasblazers af. Ook voor deze soort werkkrachten begint de verhouding tusschen vraag en aanbod ongunstiger te worden".

Ten aanzien van het assaineering-slaboratorium kon de redenaar berichten, dat:

„de door de Nederlandsch-Indische Hygiënische Vereeniging in overleg met de Faculteit ontworpen plannen om de Technische Hoogeschool in het bezit te stellen van een assaineeringslaboratorium, thans in een vergevorderd stadium verkeeren. Het Bandoengsche Technische Hoogeschoolfonds verblijdde voor de tweede maal met een gift van 5000 gld. voor dit doel. Toen het bleek, dat vele particulieren bereid waren, tot de stichting bij te dragen, hetzij met geld, hetzij door leveringen in natura, werden de aanvankelijk zeer bescheiden opgezette plannen omgewerkt tot een grooter project, waarvan de uitvoering niet lang meer op zich zal laten wachten, aangezien een paar weken geleden het verheugende bericht kwam, dat Z. E. de Gouverneur-Generaal het plan der N. I. Hygiënische Vereeniging bijzonder op prijs stelt."

Vervolgens stelde prof. Boomstra in het licht de reeds uitvoerig in de dagbladen behandelde min of meer beruchte publicatie van het Centraal Kantoor voor de Statistiek.

„Van minder aangenamen aard voor de hoogeschool was de belangstelling, die haar ten deel viel tengevolge van deze publicatie over het hooger onderwijs, welk geschrift tot veel onverdiende kritiek aanleiding heeft gegeven. Bij nader onderzoek van de op de Technische Hoogeschool betrekking hebbende cijfers, bicken deze gedeeltelijk onjuist te zijn, gedeeltelijk verkeerd bewerkt tengevolge van onbekendheid met de taak van de verschillende categorieën van personen, aan de hoogeschool verbonden. Bovendien was de opstelling der cijfers een zoodanige, dat de oningewijde lezer bijna werd uitgenoodigd tot de conclusie: geldverspelling en luxe, een conclusie, die volkomen onverdiend is. Het heeft de Faculteit weinig moeite gekost, dit alles recht te zetten en aan het Centraal Kantoor de noodige gegevens tc verschaffen voor een verbeterde editie, doch de hoogeschool zal voorloopig hebben te berusten in het feit, dat een eenmaal gewekte ongunstige indruk moeilijk weer wordt uitgewischt."

Als laatste punt werd gesproken over de prijsvragen.

„Er worden door de Faculteit twee soorten prijsvragen uitgeschreven, nl. prijsvragen voor studenten en prijsvragen, waarbij de mededinging voor iedereen vrij is."

„Een in October van het vorige jaar voor de studenten uitgeschreven prijsvraag luidt: „Gevraagd een beschouwing over het begrip veiligheidscoëfficiënt in de techniek." De gelegenheid tot het inzenden van antwoorden staat tot 31 December 1932 open."

„De algemeene prijsvraag, die in 1928 werd uitgeschreven, luidde:

„Verlangd wordt een antwoord op de vraag: op welke wijze „de bezwaren van hooge temperaturen en groote vochtigheid „in de tropen voor woon- en werkruimten zouden kunnen „worden verminderd. De oplossing, die daarvoor gegeven „wordt, moet aan eischen van hygiëne voldoen, practisch uitvoerbaar en economisch aannemelijk zijn. De mechanische en „bouwkundige uitvoering moet worden beschreven en met „teekeningen toegelicht." Als prijs werd beschikbaar gesteld een bedrag aan geld van 1000 gld. öf een gouden medaille, geslagen op den stempel der Technische Hoogeschool. Ter voorkoming van verkeerde gevolgtrekkingen moge hier dadelijk aan worden toegevoegd, dat de kosten worden bestreden uit een Prijsvragenfonds, dat in 1920 door particulieren werd bijeengebracht, nadat de toenmalige Directeur van Landbouw, de heer J. Sibinga Mulder, met een gift van 1000 gld. was voorgegaan."

„Drie antwoorden kwamen binnen, respectievelijk onder de kenspreuken „Luctor et Emergo", „Hydratex" en „Dulce ex asperis".

„Het antwoord „Luctor et Emergo" werd èn wegens den fantastischen opzet èn omdat het slechts zijdelings het te

Sluiten