Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zaterdag 21 Januari 1893.

Lste Jaargang. M 3.

DE WERKER

NIEUWE BUDBAGM VOOB HET OUDERWIJS.

Dit blad verschijnt geregeld ééns per week en wel des Zaterdags. — Prijs per jaar f5. — Prijs der advertentiën. van 1—6 regels: f "1.30; voor eiken regel daar boven 20 cents en voor een nummer der Courant 10 cents. De advertentie-regel wordt naar plaatsruimte berekend.

Kannst du nicht Allen gefallen, Mach es Wenigen recht;

Vielen gefallen ist schiimm.

SCHILLER

Brieven en stukken franco aan den heer G. B. Lalleman, 2e Jan van der Heijdenstraat 32, Amsterdam; die voor Middelbaar Onderwijs echter aan den heer M. J. IJzerman, Van Woustraat 10, Amsterdam. — Boeken en advertentiën aan het adres van de Uitgevers, 2e Wagenstraat 100 te 's-Gravenhage. Vrijdags uiterlijk vóór 12 ure.

KORTE INHOUD.

Hoofdartikel: Geen proefstukken maar monsters uit den zak. — Losse gezegden. — Feuilleton : Uit het leven eener beroemde vrouw. — Boekbeoordeeling : Willem Albert Scholten, door A. Winkler Prins. — Vergelijkend onderzoekte Jorwerd. — Opgaven van het Onderwijzersexamen te Gent. — Inhoud Tijdschr. en Weekbladen. — Berichten : Middelbaar- en Hooger Onderwijs. — Lager Onderwijs. — Benoemingen. — Feestvieringen. — Ontslag, Overlijden, Voordrachten. — Vacatures. — Het Buitenland. — Advertentiën.

Geen pefstnta maar monsters nit den zat

„Het leveren van proefstukken is een onbetrouwbaar bewijs van de gemaakte vorderingen", merkte de Minister op, toen in de Kamer het amendementSmeenge betreffende het ambachtsonderwijs voor Drente werd besproken.

Eu wie zou het durven ontkennen, dat stukken, die opzettelijk worden geleverd om als proef te dienen, gelijk te stellen zijn met monsters van koopwaren.

Leveren soliede kooplui volgens monster, min soliede kooplui — en die zijn er ook — doen dit niet.

Neen geen opzettelijk gemaakt proefstuk worde jaarlijks door den leerling afgeleverd om over zijne vorderingen te oordeelen, doch de leerling worde door het toezicht op zijn arbeid zich meer en meer bewust en eindelijk doordrongen, dat elk stuk werk, dat hij aflevert, als proefstuk dienst moet kunnen doen.

Wat de vruchten van goed toezicht op ambachtsonderwijs vermag, mocht ik in het jaar 1891 ontwaren, toen te Haarlem eene tentoonstelling werd gehouden van werkstukken in de Nederlandsche ambachtsscholen vervaardigd.

Het speet mij, dat ik al de voortbrengselen van bedoelde scholen zonder toelichting van een' deskundige moest bezichtigen, want zonder zaakkennis is ons oordeel in den regel onjuist.

Daar de ambachtsscholen uit de hoofdstad des Eijks niet vertegenwoordigd waren, meende ik onmiddellijk te mogen besluiten, dat Amsterdam met Botterdam en Arnhem niet durfde concurreeren.

Het werk der ambachtsscholen uit beide laatstgenoemde gemeenten trok mijne bijzondere aandacht.

De indruk, dien ik kreeg, was niet, dat dit werk voor de tentoonstelling was gemaakt, doch wel, dat om de tentoonstelling voortbrengselen van verschillende inrichtingen naar Haarlem waren gezonden.

Naar huis keerende, verblijdde ik mij, dat ambachtsscholen kunnen étaleeren.

Onderwijzers in handenarbeid doen het ook met voorwerpen, die onder hun toezicht zijn gemaakt en niet zelden trekken zij de aandacht van velen, en winnen ook voorstanders voor hunne liefhebberij.

Had ik reden om te juichen, ik had toch ook reden om minder vroolijk te zijn, toen ik aan het werk van den onderwijzer der lagere school dacht; — deze kan nooit eens onder de oogen van het publiek brengen, wat zijn onderwijs voortbrengt.

In vakbladen — vergeef mij die ordinaire uit¬

drukking — in vakbladen voor het onderwijs lezen wij steeds van methoden, die verschenen zijn, verschijnen of zullen verschijnen, de geleerden twisten over eene moeilijkheid bij het aanvankelijk leesonderwijs, die de kinderen ondervinden hij de uitspraak van de letter r in een normaalwoord roos en vonden het daarom beter het-kind bij het ter school komen eerst „aap" te laten zeggen, terwijl weer andere paedagogen dan oordeelen, dat men niet met een aap kan beginnen, omdat niet alle kinderen eene goede voorstelling van een' aap hebben enz.

Op een' anderen keer wordt men weer eens onthaald op de bewering, dat, als de kinderen goed in de genealogie thuis zullen raken, zij in de aanvangsklassen noodwendig met de betrekkingen in hunnen eigen familiekring op de hoogte gebracht moeten worden. Om dat doel te bereiken komen er dan voor de klasse een grootvader, eene grootmoeder, een oom en eene tante met wat neefjes en nichtjes te hangen, natuurlijk op eene plaat, — en de onderwijzeres gaat met de kinderen over de familie praten.

Gaat het nu volgens de regelen der kunst, dan zorge de juffrouw, dat zij vooral geen aanschouwelijk- maar aanschouwings-onderwijs geeft van de plaat, en de betrekkingen, die er tusscben de familieleden op de plaat bestaan moet zij aanschouwelijk maken.

Eerst moet zij zorgen, dat de kinderen eene voorstelling van „grootmoeder" erlangen, later moeten de leerlingen een begrip van een grootmoeder krijgen en heb ik het wel, dan moet dat begrip eindelijk een logisch begrip worden.

In weerwil van al die schoone zaken, waarvan de leerlingen in onze scholen, naar men meent, genieten, zoeken vele onderwijzers nog bij al de vakken, waarin zij reeds onderwijs mogen geven naar eer. nieuw vak voor de lagere school, ten einde het kind nauwkeurig te leeren waarnemen en den lust tot zelfwerkzaamheid te kweeken.

De voorstanders van „Handenarbeid" meenen het gevonden te hebben in Denemarken en Zweden.

Wat hebben onderwijzers in handenarbeid nu op de onderwijzers in de gewone leervakken van het lager onderwijs voor?

Ziehier, de onderwijzers hebben het voordeel, dat zij de leerlingen, die aan hunne leiding zijn toevertrouwd, de tastbare voorwerpen in den vorm van een' bordpapieren spaarpot of in dien van een bordpapieren sleutelplankje mee naar huis kunnen geven, en hebben de ouders zich dan eerst verheugd over die onontbeerlijke huismeubels, dan kunnen de onderwijzers van Handenarbeid er nog op wijzen, dat door dit onderwijs al het andere onderricht op de school voortaan beter zal kunnen gevolgd worden.

Het een en ander heeft mij er toe geleid ook eens eene tentoonstelling te houden en wel met producten van leerlingen, die zes en zeven jaren de school bezocht hebben.

Vooraf zij opgemerkt, dat aan het einde van het jaar de cursus aan mijne school is afgeloopen. Weldra zie ik dan weei enkelo mijner leerhugen de school verlaten om in de groote school, de maatschappij te worden opgenomen. Hoe zij daarin zullen ontvangen worden, hangt voor een groot deel af van hunne vorming naar verstand en hart. Van alle meisjes en jongens, die ik zes of zeven jaren mocht gadeslaan heb ik een' totaal-indruk.

Ik verkrijg dien indruk niet door overgangsexamens en eind-examens te houden, neen, geen opzettelijk opgegeven proefstuk kan mij dien indruk geven. Al het werk, dat de leerlingen leveren, wordt door de onderwijzers en door mij als proefstuk béschouwd. Om ons zekerheid te geven, dat zij met vrucht het onderwijs in het lezen en in de Nederlandsche taal volgen, wordt den leerlingen in het 6e leerjaar twee keeren per week gelegenheid gegeven den inhoud eener leesles schriftelijk weer te geven. Bij afwisseling komt eens een vrij onderwerp voor een opstel aan de beurt. De goede raad van Herder: „Men moet zich in het schrijven oefenen, als men juist spreken, nauwkeurig lezen en hooren wil", worde niet in den wind geslagen.

Langs dezen weg is men ook in staat om te kunnen nagaan, in hoeverre de kinderen juist waarnemen en in hoeverre de lust tot zelfwerkzaamheid is gewekt.

Den 16en December gaf de onderwijzer den leerlingen in het 6e leerjaar 2 onderwerpen voor een opstel, waaruit zij eene keuze mochten doen nl. 1. De Vacantie. 2. Een Winterdag.

Vriendelijk noodig ik TJ uit aan de zeven opstelletjes, welke ik uit de 17 'koos uwe aandacht te willen schenken:

Opstellen. Een winterdag. Het is Sinterklaas. Iedereen is bezig geweest, om de cadeaus, zoo aardig mogelijk in te pakken. Daar slaat het 8 uren ; alle huisgenooten, zitten om de tafel, alle in verwachting, wat ze wel krijgen zullen. Tingelinge-ling daar gaat de bel, zachtjes wordt de deur open gedaan en er wordt iets binnen gegooid. Eén uit ons allen, gaat gauw naar de deur toe en wat staat daar ? Eene heele groote juffrouw ; wat is ze mager. Als je haar aan hare armen pakt, dan lijken het wel een paar latten. En wat staat daar op het briefje, dat op haar arm gespeld is? Een vrijster voor een van de jongens. Daar komt de meid binnen, met eene schaal vol oliebollen en met eenen ketel slempmelk. Nu komt er aan het gejuich geen einde. Gauw zijn de borden op tafel gezet en Moe schept op. Wat smaken de melk en de oliebollen lekker. Allengs gaat het op. Daar wordt een verbazende groote mand gebracht voor Moe. Ha, daar komt een pakje voor mij. Ik pak het uit. Maar o, wat heb ik mij blij gemaakt met eene doode musch. Het is eene wortel en er ligt een briefje bij : Eet haar op, zoo staat er. En jawel, daar bijt ik op iets. Het is een mooie pennehouder. Zoo gaat den avond om en het wordt bedtijd, 's Nachts droomen wij noch van de pret, die wij gehad hebben. Van een meisje (12 jaren).

De vacantie. Als de vacantie tijd gekomen is, is 't een heerlijken tijd, vooral als het de zomervacantie is. Van dit jaar ben ik in in de zomervacantie naar Alkmaar geweest, 's Morgens om kwart voor tien met de nieuwedieperboot. Maar hij kwam eerst om tien uren. En toen stapte mijn nichtje en ik op de boot. Eerst kwamen wij aan Watergang, Spijkerboord, Purmerend, Oost Graafdijk en West Graafdijk en eindelijk kregen wij Alkmaar in het gezicht. Het was ongeveer één uur toen wij er aankwamen. Het was dus een heele zit drie uur,

dan zaten wij boven en dan weder beneden. Eerst moesten wij nog een half uur loopen eer wij er aan kwamen. Het was dus zoowat half twee. Die zelfden dag had ik dadelijk een briefkaart naar huis gestuurd dat wij goed aangekomen waren. En toen gingen mijn nichtje en ik de stad in om hem in de bus te gooien en eenige boodschappen te doen. En toen wij thuis kwamen met de meisjes aan 't spelen gegaan. En 's morgens toen wij opstonden eerst wat gehaakt, gemerkt of gebreid en dan maar weer eens spelen, ik raakte weldra in de stad hekend. En het was of de veertien heenvlogen, zoo gauw was den tijd om. En toen 's Vrijdags morgens met de boot weer 'weg.

Van een meisje (12 jaar). ( Wordt vervolgd.)

LOSSE GEZEGDEN.

Hij neemt te veel hooi op sijn vork! Daardoor gaat veel tijd verloren, want het hooi valt, en vordert nieuwe inspanning. Zoo kan ook de onderwijzer te veel hooi nemen, als hij een jongen wil voorbereiden voor een hoogere inrichting van onderwijs op een gewone lagere school. De andere leerlingen behoeven geen examen afteleggen, van de schoolbanken komen zij in het ouderlijk huis, op de hofstede en de werkplaats, maar jaren van studie wachten den leerling die voor het toelatingsexamen moet gedrild worden. Dit drillen kan niet in de klasse geschieden dan ten koste der andere leerlingen. Een onderwijzer die meent dat dit mogelijk is neemt te veel hooi op zijn vork. Zoolang op die toelatingsexamens meer gevorderd wordt dan de lagere school kan en mag geven, behooren de leerlingen die examens moeten afleggen, op inrichtingen, dsarvoor speciaal aangewezen, onderwijs te ontvangen ; van de gewone lagere school kan die opleiding niet gevorderd worden.

Te veel schaadt! Zoo is het thans ook bij het lager onderwijs ten opzichte der leervakken. Was vroeger lezen, schrijven en rekenen het begin en het einde van het onderwijs, in den loop der jaren is het getal vakken aanzienlijk vermeerderd en nog steeds is men er op uit een nieuw vak op de lijst te plaatsen. Heeft men het verkeerde daarvan ingezien en is het vrij altreraeene verzet tegen de vrije en orde-oefeningen daarvan misschien het gevolg geweest? In hoeveel lagere scholen zouden die vakken alle tot hun recht komen? Nu hoort men, och die geschiedenis is wel aardig, gaarne lees ik een goed werk over 'een onderwerp uit de geschiedenis, maar op school doe ik er zeer weinig aan. De jongens kunnen later als zij lust hebben zich door goede lectuur oefenen, voor de lagere school acht ik dit leervak van geen beteekenis. Dan weder leest men dat het onderwijs in de natuurkennis op de meeste scholen van niet de minste beteekenis is. Het onderwijs in de nuttige handwerken voor de meisjes, het teekenonderwijs, alles vordert veel tijd en schaadt aan het onderwijs in de gewone vakken. Van inkrimping der leervakken, niet van vermeerdering moest sprake zijn.

Van twee kwaden moet men het minste kiezen. Zeker is het voor een onderwijzer niet aangenaam in een minder gewenschte verstandhouding met zijn

FEUILLETON

Uil hel leven eener beroemde vrouw.

Een wonder van haar geslacht was Dorothea von Schlözer, geboren den lOden Augustus 1770, oudste dochter van August Ludwig von Schlözer, gewoon hoogleeraar aan de universiteit te Göfctingen, en Karoline Frederike Eöderer. — Von Schlözer besloot zijne dochter van hare eerste jeugd af eene geleerde opvoeding te geven; hij wilde daarmede een paedagogisch proefstuk leveren tegenover den bekenden pasdagoog Basedow. — Basedow n.1. had geschiedenis, wiskunde, een ernstige studie der talen en het lezen der klassieken uit zijn leerplan verbannen ; zijn leerlingen zouden spelenderwijze meer de z.g. feitelijke kundigheden begrijpelijk gemaakt worden, 't geen veeleer op eene oppervlakkige veelweterij uitliep. — Deze beuzelachtige wijze van opvoeding prikkelde den ernstigen en grondig geleerden von Schlözer tot een zoo hevigen tegenstand, dat hij besloot met zijne eerstgeborene de juist tegenovergestelde wijze te gaan volgen. — Het kwam zijn zonderling plan ten goede, dat Dorothea reeds in haar prilste jeugd een zeldzamen aanleg verried en een ongewone geschiktheid toonde.

Het onderricht begon, toen zij 2 jaar en 8 maanden oud was, met breien en platduitsch spreken, wijl de vader dit laatste voor een onontbeerlijk hulpmiddel hield bij het laten leeren der aanverwante talen. Een jaar later volgden Fransche spreekoefeningen. Toen het kind 4 jaar en 2 maanden

oud was, begon hot Duitsch te lezen en wel volgens een door den vader bewerkt boek „Doortjo's reis van Göttingen naar Franken". — Het grammatikaal onderricht in de Fransche taal begon eerst met haar 9de jaar, toen zij ook aanving Engelsch te leeren, waarin zij zeer bedreven werd door het veelvuldig verkeer met Engelsche vrouwen. Zij ontving in haar 11de jaar onderricht in het Italiaansch en wel slechts gedurende 3 maanden, waarna zij haar vader vergezelde op een reis naar Italië in 1781.

Na een zesmaands verblijf aldaar, was zij in deze taal zóo bekwaam, dat zij die als haar moedertaal sprak. In haar 16de jaar leerde zij Zweedsch en Hollandsch, slechts met behulp van een spraakkunst en een woordenboek. Evenwel was zij reeds in haar 9de jaar met het latijn begonnen en toen zij in haar 16de jaar met het Hebreeuwsch, Grieksch en Spaansch begon, had zij bijna de gezamenlijke historieschrijvers gelezen; van dichtwerken daarentegen zoo goed als niets. — Hoe zeer moest Dorothea onder die droge taalstudies lijden! Iedere taal moest, in een vooraf bepaalde tijdruimte volkomen door haar aangeleerd zijn, terwijl haar de fraaie litteratuur onthouden werd, omdat de vader, wiens streng bevel de stem van vrijwillige neiging onderdrukte, het lezen, van dichters voor onnut tijdverdrijf hield.

Intusschen verkreeg von Schlözer wat hij zich had voorgenomen, hoewel ten koste van het geluk der jeugd zijner dochter. Gesteund door een buitengewonen aanleg, kon Dorothea zicji met haar 17de jaar in tien talen gemakkelijk uitdrukken en zich met geleerde mannen over wetenschappelijke onderwerpen onderhouden. — Op gelijke wgze als het

aanleeren der talen, werd ook de studie der verschillende wetenschappen beoefend, v. n. geschiedenis en wiskunde, en ook hierin moest de dochter de luimen van den vader onvoorwaardelijk gehoorzamen, en wee haar, als zij in de bijna dagelijks herhaalde verhooren te kort schoot, een jaartal niet onthouden had! Ook moest zij alle geschiedkundige voorlezingen van haren vader bijwonen.

Het onderricht in de wiskunde was opgedragen aan een collega van v. Schlözer, den door zijn geestigheid beroemden Göttinger hoogleeraar Kastner, die Dorothea van haar 7de jaar geregeld in hare vorderingen onderzocht. —■ „Ongeloofbaar zal het zijn", zegt Kastner in een zijner geschriften, „dat ik een kind van ruim 9 jaren ken, welks hand nog te zwak is den passor te roeren, maar welks verstand geleerd heeft rekenschap te geven der leerstellingen en bewijzen van de beide eerste boeken van Euklides".

De hofraad Gmelin gaf haar onderricht in de mineralogie; maar, aangezien de vader steeds grondig voorging, moest zijn dochter om zoo wel in de mineralogie als in bergwerkkunde practisch kennis op to doen, den Harz bezoeken, moest zij als 16jarig meisje in mannenkleeding en in gezelschap van mannen in de groeven afdalen, ieder werk en aanleg bezoeken, zoo veel mogelijk zelf de hand uitsteken, riffen ontwerpen, berekeningen en andere opgaven oplossen. Hiertoe hield zij zich gedurende den zomer van 1786 in den Harz op bij den generaal-superintendant Dahme te Klausthal, en het voorgenomen doel werd volkomen bereikt.

Slechts met moeite was de vader er van af te brengen om het jongs meisje een geheelen cursus

in de geneeskunde te laten doorloopen ; toch had zij reeds enkele op dit vak betrekking hebbende wetenschappen, o.a. : plantenkunde, natuurlijke geschiedenis, scheikunde en zelfs ontleedkunde bepaald moeten leeren en, zeldzaraerwijze, daarbij nog zooveel tijd gevonden, om zich in het teekenen, in de muziek en in het dansen te bekwamen.

De grootste triomf zijner opvoedingswijze stond echter den vader nog te wachten. Een toevallig gezegde van den hofraad Michaelis, destijds deken der philosophische faculteit — „zij zoude in de 2de helft dier eeuw een doctors diploma verwerven" — deed von Schlözer twijfelen, of dat gezegde wel ernstig gemeend was; hij schreef toen, 28 Juli 1787, aan Michaelis „dat, indien het met dat diploma voor zijne dochter ernstig gemeend was, hij wenschte dat zij niet slechts voor de eer dit verwierf, maar dat zij, öf door de geheele faculteit, öf ten minste door eenige harer afgevaardigden naar behooren en regel geëxamineerd zonde worden, evenwel verschoond, van het openlijk optreden bij het jubileum. Als antwoord hierop besloot de philosophische faculteit, dat Dorothea v. Schlözer van het openlijk optreden vrijgesteld, maar overigens op de gebruikelijke wijze geëxamineerd zoude worden en, nadat v. Schlözer's geleerde dochter, op verzoek van Michaelis, hare brieven had ingeleverd, werd haar examen vastgesteld op den 25sten Augustus 1787.— Zoolang „Georgia Augiista" de Göttinger universiteit had gebloeid, was het nooit gebeurd dat een jong meisje een academischen graad trachtte te behalen ; de faculteit had haar bedenking daartegen ook eerst laten varen, toen het verlof van den Koning was ingekomen, {Wordt vervolgd).

Sluiten