Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■K. p JAARGANG XV, No. 10 OCTOBER 1930

lAjOGI/^I5T15GnE J

DE OVERLEDEN DICHTER S. BONN

DOOR A. J. LUIKINGA

Wat zang en melody, Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam. — Een bonte vlucht, 1911, en Immortellen, 1912, C. A. J. van Dishoeck, Bussum. — Maria's Bruidszang, tweede druk, Ontwikkeling, Amsterdam, 1917. — Zangen van hoop, Maatschappij voor goede en goedkoope lectuur, Amsterdam, 1919. — Jonge Mei, 1924, en Gewijde liederen, 1926, Em. Querido, Amsterdam.

DE zanger is gegaan naar het land, vanwaar geen gerucht tot ons doordringt; zijn klanken zijn ons gebleven! L. Simons, in zijn woord tot inleiding van Wat zang en melody, deelt den lezer mede, dat S. Bonn geen „cultuurmensen" was, niet meer dan het gewone lager onderwijs had gevolgd en zijn werkzaam* heid in de wereld als arbeider was begonnen. Aanvankelijk moet er iets sterk subjectiefs en individualistisch in des dichters uitingen geweest zijn; althans, de inleider schrijft:

Als Bonn een mooien klank in het hoofd had, gebruikte hij dien als „woord", onbe= wust of 't, behalve voor hèm, ook voor anderen iets beteekende. 't Was, in zijn zang» behoefte, al goed als 't maar den klank gaf van zijn stemming, of hem toeleek uit te beelden wat hij gezien had. Vroeg men hem: „wat beduidt dit?" — of zei men: „maar dat is geen woord", dan keek hij zeer verbaasd.

De bundels, die hier voor mij liggen, missen dezen individualistischen karaktertrek. De heer Simons verklaart dan ook, dat Bonn zelf aller* minst anarchistisch4ndividueel wilde schrijven, dat zijn stemmingen en indrukken van zeer algemeenen aard waren en ieder met hem moest kunnen meevoelen. „Hij moest dus zijn taalinstrument leeren beheerschen, onze vroege en 17e?eeuwsche literatuur leeren kennen, en toch niet te veel cultuurmensch worden", aldus de heer Simons, die voorts opmerkt, dat er, nadat Bonn geleerd en gelezen had, „geleidelijk meer besef van woorddracht en woordvorming in zijn werk (is) gekomen, gelukkig zonder dat de spontane frischheid, de onmiddeh

617

Sluiten