is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1906 (2e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

206

DANTE ZWARTGEMAAKT.

eenige onder de stervelingen, toegestaan werd het paradijs tweemaal binnen te treden: —

sicut tibi, cui

Bis unquam coeli janua reclusa?1

Hij was cle eenige sterveling, die veilig door de hel kwam, onder leiding van Vergilras, van engelen, met dat doel uitgezonden, van Beatrice en Lucia; die door dezeltde hemelsche gidsen met Mathilcla en Lea door het vagevuur en het aardsche paradijs gevoerd werd, te midden der drie theologische en der vier hoofddeugden; die eindelijk m een onbeschrijfelijk heerlijk vizioen God zelf zag in de roos van het Empyreum.

Gewone mannen, als Shakespeare, Goethe en Socrates, die schuldig waren aan zonden des vleesches, stellen het ten minste niet voor alsof zij door de portalen des hemels geleid zijn geworden naar de tegenwoordigheid van God. Het was Paulus voldoende opgenomen te worden in den derden hemel waar de woorden die hij hoorde onuitsprekelijk waren. Hij ging niet, zooals Dante, tot in den tienden hemel of trad in bijzonderheden over de op elkaar volgende hiërarchieën. Dante weet er niet alleen alles van, maar verklaart nog clat Gregorius, de groote heilige en kerkgeleerde der middeleeuwen zeer verbaasd was, toen hij, in den hemel komende, bevond dat hij het bij het verkeerde eind had toen hij Dionysius Areopagita verbeterde aan wien de waarheid was geopenbaard. Mahomet verhaalt zijne hemelvaart zeer bescheiden in een nederig vers van den Koran. Toen Ayesha hem vroeg, of hij den hemel in werkelijkheid of in een droom bezocht had, antwoordde hij: — «Mijne oogen waren gesloten, maar mijn hart was open." Het was Socrates voldoende dat hij een daemon had en dat hij, uit een vroeger bestaan, naar de aarde teruggeroepen was. Milton geeft ons weliswaar de o-esprekken der ürieëenheid weer, doch hij kent deze slechts, omdat een aartsengel ze aan Adam mededeelde. Homerus

1) Voor wien werden, als voor u

Tweemaal de poorten des hemels ontsloten? — Par. XV, 29.