is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1906 (2e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE JAPANIZEERING VAN CHINA.

337

zindheid van oudere broeders ingeeft ; zij maken aanspraak op de voogdij over het geheele gele ras. Na dit bevrijd te hebben van de Europeanen, hopen zij het eenmaal de wereldheerschappij te verschaffen.

Een machtige vereeniging is het genootschap voor de gemeenschappelijke letterkunde van Oost-Azië, dat in Japan gesticht is onder bescherming van prins Konor, en dat den treffenden naam draagt van ,/To A döbun Kwai», genootschap voor de landen van het uiterste Oosten, die dezelfde beschaving hebben. Dit genootschap heeft zich ten doel gesteld, de volken van het gele ras tot elkander te brengen, ze te bestudeeren en over elk van hen nauwkeurige kennis te publiceeren, om op die wijze een moreele en politieke federatie tusschen hen onder japansch protectoraat voor te bereiden 1. Het genootschap ondersteunt couranten en scholen ; het heeft in China drie scholen geopend: te Foetsjoe, te Swatow, en te Sjanghai. In de beide eersten studeeren jonge Chineezen volgens japansche methoden, in de derde wijden zich ruim 150 Japanners aan de studie der chineesche taal en der economische en politieke kwesties van China. In 1902 zijn 142 van deze jongelieden in handelsbetrekkingen gegaan, en 27 hebben zich in de politiek begeven. Verder bestaat er te Paoting-Foe een chineeschjapansch college met 10 leeraars van verschillende natio-

1) Het genootschap geeft o.a. eene verzameling van afzonderlijke verhandelingen betreffende Oost-Azië uit; voortreflijke documenten. Tot zijne publicaties behoort ook het boek The Busso-Japanese conflict, its causcs and issues, door E. Asakawa, met een inleiding van F. Wells Williams (19041. Beide schrijvers wijzen er op, dat Japan van landbouwstaat industriestaat is geworden. Daarom heeft het Mandsjoerije en Korea noodig, als gebruikers van zijne industriëele producten en als woonplaatsen voor zijn teveel aan bevolking. Kusland daarentegen had er belang bij, die streken af te sluiten. Zoo moest het wel tot een botsing komen. Verder wordt er door Asakawa gewezen op den verbazenden aanwas der bevolking van Japan sinds 1875. Toen bedroeg zij 34 millioen in Dec. 1903 reeds ruim 46 millioen (zonder Eormosa en de Pescadores mede te tellen). In denzelfden tijd is de uitvoerhandel gestegen van circa 50 millioen tot 606 millioen yen. Vooral in de steden vermeerdert zich de bevolking snel, wat er wederom op wijst, dat de bijkomende bevolking in hoofdzaak door handel en industrie moet worden onderhouden.

W. B. II, 1906. 22