is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2

VOORUITSTREVENDE EN

De nijverheid, het verwerken der producten van landbouw en veeteelt, geschiedde te dier tijde hoofdzakelijk door ieder gezin voor zichzelve of in kleine werkplaaten. Fabrieken waren uitzonderingen en de binnenlandsche handel was beperkt, daar iedere streek in hare voornaamste behoeften zelve voorzag. Gemeenschapsmiddelen waren schaarsch en zelfs de hoofdwegen verkeerden in nagenoeg onbruikbaren toestand. Dit deerde echter slechts een klein deel der bevolking, want de groote meerderheid leefde en stierf in of bij hunne geboorteplaatsen. Het leven was in alle opzichten rustiger dan heden ten dage en welvaart was meer gelijkmatig verdeeld. Groote fortuinen werden slechts door weinigen en nagenoeg alleen in den overzeeschen handel verworven, maar daartegenover zag men niet de terugstootende en hopelooze armoede, waaronder heden eene zoo groote schare gebukt gaat.

Ten slotte zij er op gewezen, dat het land overal groen was en de hemel helder en niet door rookwolken verduisterd en het water zuiver en doorschijnend, zelfs in de grachten der steden zelve.

In het midden der achttiende eeuw begon dit alles te veranderen. Kapitalisten begonnen den arbeid der handwerkslieden te exploiteeren en de grondslagen der fabriekmatige voortbrenging werden gelegd. De invoering en voortdurende verbetering der machines bracht de noodzakelijkheid van grootere gebouwen en grootere bedrijfskapitalen mede; de kleine bazen werden hierdoor deels op zijde gedrongen en het stelsel van loonarbeid werd verder ontwikkeld.

De toepassing van den stoom in de nijverheid versnelde ten zeerste de begonnen omwenteling; reusachtige fabrieken werden opgericht en plattelandsdorpjes groeiden tot groote fabriekssteden, die meer en meer de plattelandsbevolking aantrokken. De noodzakelijkheid om deze stedelingen van voedsel te voorzien leidde tot vermeerdering van den binnenlandschen handel en tot verbetering eerst van de verkeerswegen en daarna van de gemeenschapsmiddelen, tot den aanleg van wegen en kanalen, daarna van spoor- en tramwegen, van telegrafen en telefonen, tot de oprichting van post- en telegraafkantoren, zelfs op de meest verwijderde