is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

228

DRIE VEREISCHTEN VOOR HEN, DIE NAAR VERBETERING

lijke inrichting, die hen, hoe wisten zij zelf niet, heeft geplaatst in zulke omstandigheden, dat hun diensten voor niemand eenige waarde bezitten, en het hun onmogelijk is zich tot iets hoogers op te werken; en dat, terwijl zij zich bewust zijn van in zich de onmisbare vereischten voor persoonlijke waardij te bezitten, namelijk bedrevenheid in het verrichten van nuttigen arbeid en den wil om die te gebruiken. En dit is ook de eigenlijke kern van het groote sociale vraagstuk der armoede. Hoe komt het, dat zoovele personen zich geplaatst zien in een positie, waarin het hun onmogelijk is, aan anderen diensten te bewijzen van zoo groote waarde, dat dezen er hun voordeel in gaan zien hun de middelen te verschaffen tot een waarlijk mensonwaardig bestaan?

Het zal wel iedereen duidelijk zijn, nu wij het vraagstuk zoo hebben gesteld, dat de oplossing ervan niet anders kan gevonden worden dan langs den weg van diepe, langdurige en ernstige studie.

Wij zagen, dat de economische waarde van ieder mensch berust op zijn geschiktheid om de bedoelingen van anderen te helpen verwezenlijken, en derhalve schijnt het, alsof de oplossing van het vraagstuk voor ieder onzer persoonlijk daarin zou bestaan, dat er voortdurend dringende behoefte moest wezen aan datgene dat hij in staat is te vervaardigen of te verrichten. In mijn belang, is het wenschelijk dat mijn omgeving gebrek hebbe aan hetgeen ik haar kan verschaffen, en overvloed bezitte van al het overige. Doch het springt terstond in het oog, dat een algemeene oplossing niet in deze richting te vinden is. Immers: opdat het mij welga is het noodig, dat de wereld arm is aan wat ik kan geven, en rijk in wat ik noodig heb ; mijn buurman daarentegen verlangt, dat zij overvloedig voorzien zij o.a. van wat ik haar kan verschaffen en groote behoefte hebbe aan dat ééne, dat hij voortbrengt; dus is de oplossing van zijn probleem in lijnrechten strijd met de oplossing van het mijne. Als mijn verdiensten kleiner worden, omdat het publiek zoo goed is voorzien van wat ik het kan verschaffen, dat mijn arbeid nog maar zeer geringe waarde bezit, dan is er uit deze moeilijkheid geen andere uitweg te vinden, die werke-