is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE WEDERGEBOORTE VAN KROATIË.

275

is ten einde, en thans zetelen in het constitutioneele kabinet met Wekerle als president, Lajos Kossuth, Graaf Albert Apponyi, Geza Polonyi: in 't kort juist de hoofden der verbondenen van te voren. Maar wat is er van Kroatië geworden? Heeft het zijn deel in de voordeelen gekregen? Bespeurt men de teekenen eener soort van politieke en nationale herleving, de voorboden misschien van andere hervormingen in het Rijk der Habsburgers? Deze vragen zullen wij trachten te beantwoorden.

De Hongaarsch-Kroatische akte van vergelijk, die gegrond is op het Besluit van Fiume, had niet alleen ten doel een eeuwenouden wrok tusschen de twee volken uit den weg te ruimen: zij bevatte ook de kiem eener scheuring of verbrokkeling van het dualistische stelsel. De Dalmatiërs (Oostenrijksche onderdanen) hadden de leiding van het Congres in handen genomen, en bondig den wensch uitgesproken om weder met het Transleithaansche Kroatië „vereenigd" te worden. Men kon intussehen den mannen, die deze netelige vraagstukken met zulk eene beslistheid uitmaakten, tegenwerpen dat zij de hoedanigheid misten om ze te behandelen ; de Hongaren, omdat de meerderheid, waartoe zij behoorden, destijds door de Kroon als muiters werd behandeld; de Kroaten, omdat zij de werktuigen eener onmachtige en bijna versmade minderheid waren. Deze gevolmachtigden : eenerzijds Kossuth, Bathyany, Apponyi, Polonyi; anderzijds Tsingrija, Medakowitj, Soepilo en Potosniak, konden onderling als onderhandelaars slechts zedelijke volmachten wisselen. Vooral in Hongarije voelde men den sterken stroom eener door het volk bekrachtigde meening. Maar zou het programma van Fiume van het gebied der goede voornemens overgaan op dat der feiten, dan was toch de o-oedkeuring van de bevolking der beide landen noodig.

Deze moeielijkheid was geringer voor Hongarije dan voor Kroatië. Inderdaad, te Pest wist men reeds bij voorbaat, dat, nu de Kroon eenmaal in de vorming van een constitutioneel ministerie berustte, nieuwe verkiezingen aan de groepen der