is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHETS VAN DE GESCHIEDENIS DER AUTOMOBIEL.

315

Terwijl Watt en zijn medewerkers het denkbeeld verder lieten rusten, slaagde Trevithick er na vele proefnemingen in om op Kerstavond van 1801 een groot stoomrijtuig voor zeven of acht personen te laten rondrijden. De zuigerstang van den cylinder, die vertikaal in den stoomketel geplaatst was, werkte door twee krukstangen rechtstreeks op de kruk der drijfwielen. In 1803 kwam Trevethick te Londen met een verbeterd stoomrijtuig voor den dag, dat veel opzien verwekte, maar vooral wegens den slechten toestand der straten toch niet bruikbaar bleek. Daardoor ontmoedigd heeft Trevethick zich verder op den bouw van locomotieven toegelegd en zich niet meer met automobielen bezig gehouden. Wel kwam in Engeland nog een geheele reeks van stoomwagens te voorschijn, die echter geen van allen practisch bruikbaar bleken; o.a. de hoogst vreemdsoortige rijtuigen van Brunton inl813 en van Gordon in 1814, die in beweging gebracht moesten worden door de voeten van den machinist. Wij behoeven nauwelijks te zeggen dat dergelijke middelen geheel ontoereikend waren.

Een der grootste bezwaren bij den bouw van stoomwagens, een groot gewicht en een groot volume, dat onmisbaar scheen voor ketel en machine, werd in 1827 door Hancock en Czumey overwonnen door het gebruik van tubulaire ketels. De eerste bouwde in 1830 een stoomwagen met schommelenden cilinder; hij verving die^inrichting echter weldra weer door een andere en opende in het volgend jaar met een grooter wagen met vertikalen cylinder het eerste geregelde automobielenverkeer tusschen London en Stratford, waarop in 1832 de dienst tusschen Paddington en de City volgde. Bij dezen wagen van Hancock werd een krukas door de machine bewogen en de beweging van deze door een ketting op de drijfwielen overgebracht. Weldra volgden vele andere stoomwagens, waarbij riemen zonder eind gebruikt werden, en in 1832 werd de lijn Gloucester—Cheltenham ter lengte van 60 kilometer geopend; in 1834 was er zelfs een geregelde dienst tusschen Londen en Birmingham en in 1835 kon men in de Engelsche dagbladen lezen, dat men op de eerste lijn met de automobiel sneller vooruitkwam dan met den postwagen. De snelheid der automobielen kan in die dagen dus weinig grooter geweest zijn dan twintig kilometer per uur.

Daar het innemen van water en steenkolen het automobielenverkeer ten zeerste bemoeielijkte, zocht men naar andere middelen; men dacht aan samengeperste lucht, koolzuur en ammonia, ook het kruit, waarmede in een vroegere eeuw Huijgens en Papin zich hadden bezig gehouden, kwam weer in aanmerking, althans op het papier.