is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

454

OVER DEN GEESTELIJKEN EIGENDOM.

eischers niets in den weg kunnen leggen, als deze na de uitgave, voorstelling of uitvoering bij het leven van den auteur, het werk zouden willen herdrukken, op nieuw ten tooneele zouden willen voeren of uitvoeren. De onaantastbaarheid, die slechts zijn grond heeft in de achting voor den persoon van den schrijver, en in het recht, dat hij heeft, om veranderingen aan te brengen, moet ophouden wanneer de auteur overleden is.

Al kan de auteur zijn werk verkoopen, zijn persoon verkoopt hij niet. Zoo is het onbetwistbaar, dat hij het recht heeft te verhinderen, dat zijn naam geplaatst worde op een werk, dat niet van hem is, ook al had hij er eerst in toegestemd. Dit recht gaat over op zijn erfgenamen. Zelfs zou voor het geval dat er geen erfgenamen zijn, de wet misbruiken ten deze kunnen verbieden, niet alleen gedurende den tijd, waarin zij het recht van een intellectueel bezit erkent, maar ook na afloop van dien termijn. Bvenzoo kan de auteur, zelfs indien hij zijn eigendom verkocht heeft, eischen dat men de voorzorgen die hij genomen heeft om zijn vaderschap te handhaven, eerbiedige. De uitgever mag den naam van den auteur niet schrappen op de exemplaren, die hij te koop biedt. De kooper van een schilderij of van een beeld mag niet, indien hij het in het openbaar ten toon stelt, de handteekening van den kunstenaar doen verdwijnen, veel minder er een andere handteekening op plaatsen. Zoolang het publiek het verzwijgen van den naam des auteurs niet opmerkt (behalve wanneer er zekere verbodsbepalingen in het belang van het publiek gemaakt zijn) zou die niet kunnen verhinderd worden. Maar de tentoonstelling of uitgave van een werk, dat men beroofd heeft van den naam van zijn voortbrenger of van een valschen naam heeft voorzien, maakt ongetwijfeld inbreuk op het recht van den voortbrenger, en de eerbiediging van dit recht moet door hem zeiven, door zijn erfgenamen, of door den Staat, den beschermer van ieders rechten, kunnen geëischt worden.

Dit denkbeeld noopt ons te onderzoeken, in welke mate een geesteswerk mag vernietigd worden, anders dan dooiden wil van zijn maker. Dat deze het recht heeft om zijn geschrift of zijn schilderij te vernietigen is niet twijfelachtig.