is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN GROOT-BRITTANJE EN VOORAL IN FRANKRIJK.

257

gische wonder werd ook toen herhaald : toen de Uebermensch had opgehouden te leven, werden de voortbrengselen van zijn zienersgeest door geesten van minderen rang voor wegsterven behoed. Wanneer we in vogelvlucht een ernstigen blik slaan op de vorige eeuw, dan zullen of kunnen we, naast het weldoordachte streven van Carlyle, Eliot, Taine en Renan, het werk van anderen waarnemen, die, hoe weinig ook doordrongen van den waren Goethe-geest, niettemin van dezelfde beginselen uitgingen als de schepper van den „Faust".

Diens wijsgeerige richting kende geen aan bepaalde omschrijving onderworpen leer, en trok juist daarom weinig de aandacht van hen, die als wijsgeeren bekend stonden. Toch lag in haar bepaaldelijk het reuzen-epos van den nieuwen tijd opgesloten, en omvatte ze de bouwstoffen voor een machtig ten hemel stijgende citadel. Maar dat bleef voor den gewonen mensch verborgen, doordat de nieuwe richting in 't wilde scheen te zweven, te midden der symbolen van Goethe en zijn adepten. En toch is Goethe op dit oogenblik, althans in Frankrijk, de man bij uitnemendheid, die de wijsgeerig aangelegde geesten cle nagedachtenis van zijn diepzinnig streven doet in eere houden. Daarom zal de lezer, geloof ik, niet zonder ' belangstelling kennis nemen van mijn poging, om den vooruitgang van dat streven te schetsen, en zijn balans voor de twintigste eeuw zoo goed mogelijk op te maken.

Toen de groote Fransche omwenteling uitbrak, was de roem van Kant ten top gestegen. Tot op zekere hoogte kon die ontzaglijke reeks van gebeurtenissen een toepassing schijnen van de denkbeelden des Koningsberger wijsgeers. Zóó veel is zeker, dat Goethe er niets mee te maken had. Die daaraan mocht twijfelen, leze zijn „Aus meinem Leben», vooral wanneer men de kunst verstaat om tusschen de regels door te lezen. In ieder geval kon geen philosophie ter wereld met mogelijkheid zoozeer aan Robespierre en diens bentgenooten behagen als die van Kant. Konden de „Fêtes de VEtre Suprème» door Kant's „Kritik der reinen Vernunft» ingegeven schijnen, aan den anderen kant scheen het later gevolgde werk van denzelfden wijs-

W. B. II, 1907. 17