is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET ONBEWUSTE IN MOZARTS VOORTBRENGEN.

309

Dat de voortbrengselen der kunst nog iets anders kunnen zijn dan producten van de ernstige inspanning van nu ja speciaal bijzonder begaafde menschen, wordt feitelijk door het groote publiek niet toegegeven.

Wanneer dan ook een kunstwerk in zeer korten tijd ontstaan is, vermeldt men dit op dezelfde wijze als waarop men van eene buitengewone physische of verstandelijke inspanning zou gewag maken.

De onlangs overleden wijsgeer Eduard von Hartmann heeft daarom zeker geen overtolligen arbeid verricht, met in zijne Philosophie des Unbewuszten als verdediger op te treden van de wel geenszins nieuwe maar daarom toch niet verouderde stelling, dat het genie uit eene volle, ondoorgrondelijke, hem zelf onbekende bron schept,

Omtrent het onderscheid tusschen de zelfbewuste voortbrenging en deze schepping uit het onbewuste schreef von Hartmann o.a. het volgende:

«Iemand met een sterken wil kan door vlijt en volharding en daardoor verkregen geoefendheid kunstwerken voortbrengen of misschien juister gezegd, uit het bestaande combineeren; maar de voortbrenging van het genie is iets anders. Het is een willooze passieve ontvangenis, die geenszins het gevolg is van ernstige inspanning, maar juist, wanneer men haar het minst verwacht, onder weg, in een willekeurig gezelschap, bij een banaal gesprek, den kunstenaar als eene uit den hemel gedaalde gave plotseling', oogenblikkelijk overvalt.

De zelfbewuste voortbrenger bouwt met groote inspanning, onder voortdurenden twijfel en hoofdbreken, steeds wijzigend, steeds verbeterend, geleidelijk het geheel op als een logisch samenstel van zorgvuldig bestudeerde details; maar bij het genie ontstaat in de eerste plaats het geheel, als eene ingeving zonder eenige inspanning verkregen en zijn het dan juist de details, die nog geheel of deels ontbreken en wel ontbreken moeten, omdat voor kunstwerken van grooten omvang de menschelijke geest doorgaans niet krachtig genoeg is, om meer dan een totaal-indruk tegelijk te kunnen vasthouden en overzien. Het talent streeft naar de eenheid van het geheel door zorgvuldig aanpassen en beproeven en bereikt haar niettegenstaande noesten arbeid nooit ten volle, maar laat altijd doorschemeren, dat het eigenlijk sleehts een samenstel is van zoo goed mogelijk gekozen bouwstoffen; de werken van het genie daarentegen zijn door hunne schepping uit het onbewuste eenheden, die door de onontbeerlijkheid, doelmatigheid en onderlinge harmonie der details zoo volkomen zijn, dat men ze slechts met de eveneens uit het onbewuste geschapen organismen in het rijk der natuur zou kunnen vergelijken.*;