is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET MEERSCHUIM.

313

gens een bericht van den Engelschen consul te Angora, ongeloofelij k ruw: in de zachte aarde wordt een loodrechte schacht geboord, vaak van aanzienlijke diepte; van den bodem daarvan uitgaande, graaft de Taschdi (mijnwerker) gangen in verschillende richtingen, waar hij klompen meerschuim hoopt te vinden, die als rozijnen in een gebak in de aarde verspreid liggen. Door middel van een windas, dat boven de schacht geplaatst is, worden de steenen en de uitgegraven aarde naar boven geheschen: een mijnwerker windt cle manden op en ledigt die, terwijl een ander beneden aan het graven is. Van eenigen aanleg, van een bekleeding met planken, die in dezen weeken bodem onmisbaar schijnen, is geen sprake; er is niet eens een ladder om in de schacht af te dalen en weer boven te komen: in de zijwanden der schacht zijn gaten uitgehouwen, waarin de werklieden beurtelings hun ellebogen en voeten steunen. Bij dit algeheele gemis aan veiligheidsmaatregelen moeten dikwijls ongelukken voorkomen, maar daaromtrent is men zeer onverschillig; vrees voor den dood is den Turken ten eenenmale vreemd; sterven zij, dan heeft Allah het zoo beschikt.

Als het meerschuim uit den grond komt, is het van een laag aarde omgeven: het is dan tamelijk zwaar en heeft weinig overeenkomst met de witte, lichte stof onzer sigarenpijpjes. De grootte der stukken is zeer verschillend; sommige zijn niet grooter dan een appel, andere hebben den inhoud van een kleine kalebas. In dezen ruwen toestand verkoopt de mijnwerker de steenen aan den Isnaf, den kleinhandelaar, die daarvoor ongeveer 200 piasters (omtrent 22 gulden) per zak betaalt. De kleinhandelaars vervoeren het meerschuim naar Eskischehr, reinigen het van de aarde en verdeelen de stukken in vier groepen; daarna verkoopen zij het aan den Tüdschar(groothandelaar) in kisten, die ongeveer evenveel bevatten als de zakken van den mijnwerker. De Tüdschar sorteert de steenen naar hun kwaliteit in 12 klassen, en een juiste blik bij deze sorteering is een der voornaamste eischen van zijn beroep. Het meerschuim, dat nu nog vochtig, zwaar en geel is. moet eerst gedroogd worden, hetgeen des zomers in de zonnestralen geschiedt en des winters door het negen dagen lang in een droogkamer te leggen, die nacht en dag verwarmd wordt. Door het drogen verliest het ongeveer tweederden in gewicht; het wordt harder en zijn kleur verandert in sneeuwwit, dan wordt het gepolijst met schaafstroo en gewreven met een stuk flanel, dat met warm water bevochtigd is; met een mes worden alle oneffenheden verwijderd en ten slotte wordt het met was gepolijst.

Als uitvinder der meerschuirnpijpen wordt een schoenmaker Kowatsch genoemd, die in het jaar 1735 te Budapest woonde en door