is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

224

CLEMENCEAU ALS SCHRIJVER EN PHILOSOOE.

herkozen hadden, maar tegen de geheele wereld. Deze omstandigheden zetten de leer, die hij in het boek predikte, nog meer kracht bij.

De — niet zeer waarschijnlijke — intrige is eene botsing tusschen twee oude vrienden, den Markies de Puymaufray en den fabrikant Harlé, veroorzaakt door de opvoeding gegeven aan een bekoorlijk meisje, dat Harlé voor zijne dochter houdt, terwijl zij in werkelijkheid de dochter van Puymaufray is.

Harlé gelooft alleen in succes, dat wil zeggen in rijkdom, uitgebreide relaties, een „beau manage" en wat dies meer zij. Puymaufray, een geruïneerd man en niet erkend vader, put zich uit in wanhopige pogingen om den invloed van zijn vriend tegen te werken.

Het kind heeft hem lief, doch hare omgeving verstikt haar edeler neigingen, en als Harlé eene zekere gravin de Fourchamps, eene door en door wereldsche dame te hulp roept, is zijn kans voor goed verkeken en treedt Claude het Parijsche leven van bedrog en zelfzucht in door haar huwelijk met een staatsman, dien zij veracht.

De roman zit niet goed in elkaar, sommige gedeelten er van zijn onhandig, anderen bijna over-sentimenteel, vooral in tegenstelling met eenige hoofdstukken, waarin de verdorvenheid en huichelarij der maatschappij in scherpe trekken zijn weergegeven; maar het is toch een boek van edele inspiratie. De Clemenceau, die het schrijft, is juist het tegendeel van den legendarischen Clemenceau. Geen Bretonsch edelman, die in zijn eenzaam slot zijne trotsche droomen droomt, zou een de wreede inrichting der beschaafde maatschappij zoo verfoeienden Puymaufray in die mate met alle edele hoedanigheden hebben durven begiftigen.

Gedurende 40 jaren heeft de politiek Clemenceau in voortdurende aanraking gebracht met fabrikanten van het soort van Harlé, eerlijke leugenaars, die altijd den mond vol hebben van verheffing der werkende klasse en, zonder het misschien zelf te beseffen, den werkman behandelen als een planter uit de Congo het de zijnen misschien doet. Hoe moet hij deze mannen gehaat hebben en hoe moet hij hebben genoten bij het denkbeeld, dat hij ze leidt,