is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

302

EEN VAKVERENIGING VOOR HOOGLERAREN.

gen, b.v. het inrichten van tentoonstellingen. Sommigen zijn verder gegaan; een aantal dichters, deelt Delbrück mee, hebben zich onderling verbonden om geen gedichten te laten drukken, tenzij zij een minimum-honorarium van 25 pfennig per regel ontvangen! Wil men nu ook dat het professoren-kongres zal uitmaken dat niemand voor minder dan 5000 Mark buitengewoon, en voor minder dan 6000 Mark gewoon hoogleraar zal worden? Maar zo goed als ik geloof dat er nog steeds dichters zijn, die voor minder clan 25 pfennig per regel gedichten leveren, zo denk ik ook, zegt Delbrück, dat geen kongres jonge geleerden zal kunnen verhinderen om onder het tarief professor te worden.

De voorstanders van de nieuwe regeling vergeten velerlei. Ten eerste nemen zij niet in aanmerking, dat wel is waar de benoeming van hoogleraren nominaal uitsluitend door de regeering geschiedt, maar niettemin twee zeer belangrijke faktoren meewerken: defakulteit, die voordraagt en de deskundigen, die door de ministers in den regel gepolst worden. Benoeming door de fakulteit zou stellig mettertijd kunnen ontaarden in 't eenzijdig bevorderen van één richting; zulke onder-onsjes zouden tot stilstand en bekrompenheid leiden. Het tegenwoordige systeem is nog 't beste, dat wij op 't ogenblik kennen. Zijn de professoren met het resultaat er van in een bepaald geval niet tevreden, dan zal 't protest van een vakvereniging niet baten. Dat heeft men gezien, toen Dr. Arons in Pruisen als privaatdocent geweerd is, omdat hij deelnam aan de propagande der sociaaldemocraten; algemene bepalingen zijn toen door de regeering gemaakt, ondanks het protest van de beroemdste professoren: in het parlement was een grote meerderheid het met de regeering eens, en dit gold voor haar meer dan een petitie ondertekend met vele klinkende namen. Moeten in een dergelijk geval de professoren gaan »staken«? Dat zou erger wezen in zijn gevolgen dan een verkeerd regeeringsbesluit, en vele professoren die daarvan overtuigd zijn, zouden nooit aan zulk een maatregel willen deelnemen. Ook gaat het niet aan om, ingeval een benoeming geschiedt uit politieke en niet op grond van wetenschappelike verdienste, over de benoemde 't veroordelend vonnis van zijn ambtgenoten, de vakvereniging, uit te spreken. Wie kan uitmaken of de benoemde toch niet inderdaad een man is, die 't professoraat goed kan waarnemen ? Enkele deskundigen zouden bevoegd zijn tot spreken en in den regel zouden zelfs zij niet eenstemmig oordelen. Hier is alles zó individueel, dat ook de invloed alleen van de personen, niet van een »bond« kan uitgaan. Aan de persoonlike roem en geestelike macht van mannen als Kant, Hegel, Schleiermacher, Grimm, Savigny, Ranke, Mommsen enz. enz.