is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VÓÓR DE HERVORMING.

415

van de opbrengsten der prebende slechts zooveel ontving, als strikt noodig was, om lichaam en ziel saam te houden. Wat nu, nadat de pauselijke hofbeamten voorzien waren, nog overbleef aan kleine prebenden, behield de curie eveneens uitsluitend ter harer beschikking. Daarvoor toog een zich dagelijks vernieuwende stroom van sollicitanten en ambtjagers naar Rome, ten einde met alle middelen der kunst van omkooping een prebende te bemachtigen. Geen wonder dan ook, dat de prebende-bedelbrieven onder Clemens XI (1342—51) alleen, niet minder dan '22 folio-deelen vormen. Een reis met genoemd doel naar Rome ondernomen, met het oponthoud in de Eeuwige Stad, kostte handenvol geld. Daarbij kwamen dan nog de verplichte geschenken en fooien aan allerlei tusschenpersonen, van den kardinaal tot den portier, benevens het recht voor het uitvaardigen van den aanstellingsbrief. Uiterst moeilijk was het de tucht onder de aan de curie steeds aanwezige menigte te handhaven. Oorkonden bewijzen de waarheid van hetgeen de Reformation van keizer Sigismund dienaangaande opmerkt: „Zij liggen aan het Hof en verkwisten daar hun vaderlijk erfdeel; bijwijlen steken zij elkander dood, of huren iemand om dit te doen, en daaruit ontspruit groot euvel", tiet was ook destijds, dat zich aan de curie de later, ten tijde der Hervorming meest gehate stand der pauselijke hovelingen vormde. Wel gaven verschillende pausen strenge bevelen, dat de sollicitanten onmiddellijk weder huiswaarts moesten keeren, maar het systeem was sterker dan hun beste wil.

De prebenden, die sollicitanten van elders aan de curie verwierven, kwamen nog slechts voor het kleinste deel aan eigenlijke en gebenificieerde geestelijken ten goede. De meeste, en bovenal de rijkste waren, om zoo te zeggen, in vaste handen, in dien zin, dat zij de regelmatige bezoldiging vormden van universiteitleeraars, dienaren van kardinalen, bisschoppen en wereldlijke groote heeren, die dan niettegenstaande zij het beneficium overgenomen hadden, en zonder zich om den residentieplicht te bekommeren, aan het hof hunner begunstigers bleven leven. Immers het was hun slechts te doen om het benificium ; de verplich-