is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

434

TOESTAND DER LAGERE GEESTELIJKHEID

heden en plagen te bedreigen ; en het uitzuigen van het eenvoudig volk door andere bedriegerijen te voorkomen .... wordt bevolen, dat geen leek tot het inzamelen van aalmoezen mag worden aangesteld." En verder: „Ons is ter oore gekomen, dat eenige aalmoezen-gaarders het volk eigenmachtig aflaten verleenen, van geloften ontheffen, van zonden vrijspreken, den dief gestolen zaken laten behouden, mits hij hun een deel daarvan afsta, een derde of een vierde deel der opgelegde penitentie kwijtschelden, drie of meer zielen uit het vagevuur verlossen, als men hun een aalmoes schenkt." Door deze, met de geestelijke zielenzorg concurreerende inmenging van personen, die zich voor geestelijken uitgaven, werd nog verder gevoelige afbreuk gedaan aan het inkomen der eigenlijke geestelijkheid, en daardoor werden wederom de lasten, die de parochiegeestelijkheid den leeken moest opleggen, nog ondragelijker; daargelaten, dat de kerkelijke instellingen dientengevolge bij de leeken steeds meer geringschat werden.

En alsof dat alles nog niet genoeg ware geweest, verrezen in de tweede helft der 15e eeuw naast de godsdienstige vereenigingen een overgroot aantal broederschappen, aan wie een groot deel der misstichtingen werd overgedaan. De schade daarvan droeg alweder de parochiecleresij, wien dat inkomen onttrokken werd. Dientengevolge verhieven ook vele bijzondere conciliën hun stem tegen de toename dier broederschappen, zooals dat van Mainz in 1451, van Keulen in 1452 en andere.

Tegen deze talrijke soorten van verdrukking van de lagere geestelijkheid door den paus, de prelaten, de orden, de godsdienstige vereenigingen en de broederschappen, roept de schrijver der Reformation van keizer Sigismund de hulp in van de gansche christenheid. Als noodkreet van een leek zijn deze woorden inzonderheid opmerkenswaardig: „De wereldlijke priesters zijn in ellende gedompeld ; zij lijden onder de krenking en het onrecht hun aangedaan ; zij zijn voor de christenheid van meer dienst dan de prelaten, voor wie zij schatten verdienen en wier lastdieren zij zijn. Toch worden zij door beide, prelaten en orden, gehaat... Daarom, gij allen, trouwe christenen, staat de priesters bij."