is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (4e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GKOOT-BRITTANJE EN JtUSLAND.

71

langen naar nationale onafhankelijkheid is ontwaakt en dat de vrijzinnige denkbeelden, die de Wolgaturken in Europeesch Rusland als met de lucht mee inademen, instemming hebben gevonden bij hun stamgenooten aan de oevers van Oxus en Jaxaz*tes. Ten vierde heeft Engeland ter beveiliging van Voor-lndië's noordwestelijke grens uitstekende strategische maatregelen getroffen. Onbegaanbare bergpassen, waterlooze steppen, sterke vestingen en, last not least, het voortreffelijk geoefende Engelsch-Indische leger, maken het een vijand, zelf zoo deze op dc hulp cler Afghanen zou mogen rekenen, zoo goed als onmogelijk daar binnen te dringen. Men moet ook niet vergeten, dat een oorlog om het bezit van Hindostan voor de Engelschen een quaestie zou wezen van te zijn of niet te zijn, en zij dit zeker met al de aan hun ras eigene energie en vaderlandsliefde, en met alle hun ten dienste staande middelen zouden verdedigen.

En vragen wij ons af, of het voor Rusland raadzaam zijn zou, zulk een gevaarlijken en hachelijken strijd te wagen, en of, in het schier ondenkbare geval, dat het de overwinning behaalde, de voordeden tegen de ontzaglijke kosten zouden opwegen? Neen, zeker niet. Boven is reeds gezegd, dat Japan's zegepraal over Rusland de geheele wereld van den Islam, van het Boeddhisme en van het Bramanisme, dus: gansch Azië, heeft geëlectriseerd en dat de Aziaten nu gansch anders denken en gevoelen dan een halve eeuw geleden. Ik ben niet geneigd de nieuwste strijdleus: „Azië voor de Aziaten!«, al te ernstig op te vatten, en ik behoor niet tot die ongeluksprofeten van beroep, die met woorden als: het Gele Gevaar, Panislamisme enz. geheel Europa schrik trachten aan te jagen, maar het zou zeker onverstandig en ook gevaarlijk zijn, bovengenoemde feiten te willen loochenen. Het ware kinderachtig en lichtzinnig het oog te sluiten bijv. voor de hooge vlucht, welke in den jongsten tijd de pers in de Muzelmansche wereld heeft genomen. In de laatste 10 of 15 jaar zijn daar dagbladen, tijdschriften, traktaatjes en andere brochures overal verspreid, tot in streken, waar dergelijke litteratuurproducten vroeger geheel onbekend waren of zelfs voor misdadig en goddeloos golden. In de eenzame tentengroepen op de Centraal-Azi-