is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (4e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN ANTIEKE MYTHEN.

255

digen tijd van een werkelijk Christendom nu juist niet veel schijnen te hebben. Gelijk een Griek van den nieuweren tijd het zelf uitdrukt: Religie beteekent voor den hedendaagschen Griek zooveel als vaderland, nationaliteit, in zoover zij de samenhoudende band is; voor het overige laat zij den Griek koud, „zij ontneemt hem zijn eetlust niet, rooft hem den slaap niet, zet zijn verbeeldingskracht of zijn hart niet in vlam, zij woont veeleer geheel en al in zijn verstand. Een heilige Theresia of een Franciscus van Assisi komen bij ons niet voor." De beschaafden doen dus ter wille van het volk en den goeden toon mee aan wat nu eenmaal nationaal is : aan vasten en later aan het vroolijke Paaschfeest met zijn lamsgebraad en vreugdeschoten, welk laatste genoegen daar de meest geschikte uiting van vreugde schijnt, niet zoozeer over de opstanding des Heeren als wel over het einde der Vasten. Ook de oude Grieken zullen bij hun godsdienstige feesten over het algemeen wel met andere dan werkelijk godsdienstige gevoelens vervuld zijn geweest, en zelfs van de ernstigste en heiligste feesten, de Eleusinische mysteriën, heeft zeer zeker het Grieksche gezegde gegolden: „Velen zijn thyrsos-dragers, maar weinigen ingewijden." Het is alleen de vraag of deze laatste klasse inderdaad vertegenwoordigd is geweest, en deze vraag zal waarschijnlijk wel voor alle tijden bevestigend beantwoord moeten worden. Tusschen thyrsos-dragers — modern: kaarsendragers, want bij de Paaschviering houdt ieder zijn brandende waskaars in de hand — en werkelijk vromen is dit het onderscheid, dat bij dezen verstand en gemoed en de geheele mensch ernstig deelneemt aan de plechtigheid. Daarmee is al heel spoedig ook een zekere mystiek — in goeden zin — verbonden, in zoover mystiek niets anders is dan een inwendige aanraking met het bovenzinnelijke; het is duidelijk dat er zon' der zulk een aanraking geen werkelijke religie noch religieuze zin kan bestaan. De oude Grieken nu zijn in hun goeden tijd, waarin zij groote daden volbrachten en hun groote meesterwerken schiepen, in zoover een religieus geslacht geweest, als juist onder de uitstekende geesten een zeer groot getal van dit inwendig gegrepen-zijn en deze religieuze belangstelling zeer duidelijk blijken gaven.