is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (4e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

326

DiS SLAVENHANDEL IN ANGOLA.

den Boerengeneraal Joubert Pienaar in de Cape Times van den 10den en 17den October 1906. In één dier brieven spreekt hij bijvoorbeeld van de gewoonte in Angola om slaven voor de markt te fokken precies zooals de boeren vee fokken:

In Mossamedes woonde eene vrouw, die eene boerderij hield, waar zij slaven fokte, zooals mannen iu ons land vee of paarden zouden fokken. Zij vertelde mij zelf, dat zij die slaven nooit verkocht, maar tegen maandelijksche betaling verhuurde... . Het wreedste in dezen schandelijken handel is, vind ik, dat niet alleen de ouders, of de menschen waarvoor het geld betaald is. gekocht worden, maar hun kroost behoort even goed aan de eigenaars, als het veulen van de merrie, die ik in de Kaapkolonie kocht, mij zou toebehooren.

Prof. August Prister, die krachtens eene twaalfjarige ondervinding over de Afrikaansche inboorlingen spreekt, heeft over dit onderwerp zijne meening gezegd in het Hamburger Fremden-Blatt van 28 Juli 1906.

Hij beschrijft daarin cle slavernij, die hij in Angola aanschouwd heeft en weidt vooral uit over het winstgevende slavenkweeken. Hij merkt ook op, hoe voortdurend de provinciën van het vasteland uitgeput worden, om werkkrachten te leveren voor de cacao-eilanden San Thomé en Principe. Dit uitputten van arbeidskrachten, gepaard met de verontwaardiging tegen den handel, heeft eenige onrust gewekt, vooral in Loanda, waar ook de Defeza di Angola, het eenige nieuwsblad, zich de laatste jaren sterk'tegen den uitvoer van slaven uitlaat1. Deze onrust werd in 1902 zeer vergroot door een opstand der inboorlingen tegen den wreeden handel in het district Bailundu, gelegen aan den hoofdweg voor slavenvervoer. Een gevolg hiervan was eene krachtige poging tot verbetering onder den door Portugal uitgezonden

1) In de Defeza van 10 en 14 Juni verdedigt het blad zich tegen de Portugeesche critici, die het van gebrek aan vaderlandsliefde beschuldigden, omdat het de waarheid van mijne berichten erkende. De Defeza noodigde hen daarop uit, de waarheid van mijne beweringen in het blad te weerleggen „Dit kunnen zij niet", vervolgde het; „welnu, dan moeten zij ons toestaan, dat wij voortgaan ons tegen het kwaad te verzetten."