is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (4e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

436

YILDIZ-KIOSK.

De „klassieke" Oudheid placht de Olympische goden te verdeelen in vier groepen, waarvan de eerste besturende goden, de tweede de mindere, de derde de half-goden, en de vierde die godjes bevatte, die cloor Demoustier met de benaming „la canaille céleste» worden bestempeld. Wil men een indeeling van dien aard op Yildiz-Kiosk toepassen en den Grooten Heer als Jupiter beschouwen, dan dient men vrij wat meer onderafdeelingen aan te nemen. Ik ben zoo vrij om die onderafdeelingen clans en klieken te noemen. Iedere clan heeft zijn opperhoofd, iedere kliek haar sfeer van invloed en uitbuiting. Men kan ze beschouwen als hemellichamen, wier loopbanen niet altijd door even goede regelen als de wetten van Kepler worden beheerscht, maar nu en dan aanleiding geven tot onrustbarende botsingen. Als nu die onrust den Jupiter-Sultan begint te vervelen of te verontrusten, zoo ontbiedt hij zijn trouwen Mercurius en geeft hem de noodige bevelen, als wanneer de gisting weldra tot bedaren komt. Die Mercurius heet in Yildiz Kiamil Effendi; en zijn ambt is een soort van opperkamerdienaarschap, waarvan de bekleeder de veiligheid van Abdoel Hamid's slaapvertrek waarborgt, door op den drempel zijn nachtrust te nemen. Bovendien is hij verplicht om bij diens toilet behulpzaam te zijn.

Kiamil Effendi is een zware reus, die zijn man kan „mollen" als een meikever, of anders alles met hem doen wat de Sultan verkiest. Diens verder bedienend personeel is bijzonder talrijk: de voornaamste baantjes van dien aard laat ik hier volgen 1. Om de pikante eigenaardigheid begin ik met den tapijtspreider, een personage, waaraan de gewichtige taak is opgedragen van het uitspreiden des „heiligen" tapijts op de plek, waar „de schaduwe Allahs op aarde" bij het plechtige gebed neerknielt. Verder noem ik den waskaarsopsteker, den voorproever der spijzen (waarborg tegen vergiftiging), den sigarettenroller, den koffiezetter, den tafelregelaar, den goudsmid, den kapper, enz. enz. Dit alles ware zoo bijzonder niet, ware 't niet, dat al die bedienden

1) De barbaarsche Turksche namen daarvan laat ik achterwege.

Vert.