is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1907 (4e deel) [volgno 1]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

454

PROFESSOR DUNBAR'S MEENING, ENZ.

coccen, staafjes, spirillen, sarzinen, in gistcellen en schimmels met hun karakteristieke zodevormen en stelen en hun sporenvorming. Als voedingsvloeistof gebruikte Dunbar voornamelijk suikerbouillon, aardappelwater met of zonder suiker en voedingsbodems met ammonium-sulfaat, en als vloeistoffen, die hij alleen of met andere samen aan dezen voedingsbodem toevoegde, alcaliën, zuren en zouten, waarvan de werking bij elke reeks van proeven in den breede wordt medegedeeld.

Oudere culturen bleken het meest geschikt om bacteriën te vormen: jongere waren meestal teer en stierven lichter dan oudere. In het algemeen bleek, dat hoe rijker aan chlorophyl de algencultuur was, er des te minder kans was op het ontstaan van bacteriën, maar dat alle bijvoegsels, die het bladgroen in kleurloos plasma veranderen, de neiging tot bacteriënvorming bevorderen. Overbrengen der algen van den eenen voedingsbodem op den anderen bleek in het algemeen niet gunstig voor het welslagen der proeven; het was voordeeliger de algen in hun eersten voedingsbodem te laten, en de vloeistoffen, waarmede men werken wilde, daarbij te gieten. Als Dunbar b. v. de algen, die zich op een bepaalden voedingsbodem goed ontwikkeld hadden, opeen nieuwen voedingsbodem van dezelfde samenstelling overbracht, gebeurde het wel, dat zij daar niet ontwikkelden. Vele flesschen, waarin algenreinculturen op een voedingsbodem gebracht waren, die van begin af alcalisch was, vertoonden bacteriënvorming, zonder dat zij ooit weer geopend geweest waren. Merkwaardig is in die gevallen het verschijnsel, dat de algen in het geheel niet groen geworden waren.

"Wat de uitkomsten van het onderzoek betreft, zij het volgende voldoende; van de reinculturen, die in 1905 bereid zijn, werden 53 met scheikundige stoffen behandeld; daarvan vertoonden 33 het ontstaan van bacteriën, 6 vorming van schimmels, terwijl 14 kolven vrij bleven. Van 289 culturen van 1906 ontstonden in 134 bacteriën, in 27 schimmels, terwijl 128 vrij bleven. Van 142 culturen in 1907 bleven daarentegen 111 vrij, terwijl in slechts 28 bacteriën ontstonden en in 3 schimmels.

Voor controleproeven werden kolven met denzelfden voedingsbodem gebruikt maar zonder algencellen ; van 221 dergelijke kolven, die ieder ongeveer tweemaal geopend werden, vertoonden slechts 15 organisch leven en wel 7 bacteriën en 8 schimmels, terwijl van de 484, die algencellen bevatten, de 231 bovengenoemde kolven, waarin bacteriën en schimmels ontstonden, eveneens tweemaal geopend waren om er een of andere vloeistof bij te gieten. Tegenover de 231 reinculturen van algencellen, waarin bacteriën ontstaan waren, staan dus 253 reinculturen, waarin zulks niet plaats had; van deze 253 bleken 173 dood, de overige 80 leven nog en hebben geen bacteriën het aanzijn geschonken.

Dunbar is op grond zijner proeven tot de overtuiging gekomen, dat het optreden van bacteriën in zeer vele reinculturen van algen, die vóór