is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

276

DE DAGERAAD VAN HET LEVEN EN

Ook in de onmiddellijk op de azoïsche lagen volgende afzettingen, de Cambrische, vindt men, naast de oudste duidelijk herkenbare overblijfselen van organismen, zulke omtrent welker waren aard nog altijd verschil van meening bestaat. Dit geldt bijvoorbeeld van het voorwerp, dat in 1844 door Oldham voor het eerst in de Cambrische lagen van Ierland gevonden en naar hem Oldhamia antiqua genoemd werd.

Oorspronkelijk voor een koraal gehouden, waaraan de zigzag gebogen steel, op welks knoopen straalsgewijze takken geplaatst zijn, inderdaad doet denken, is het naar de meening van bekende phyto-palaeontologen als Göppert en Schimper een overblijfsel van de oudst bekende plant en wel van een zeewier; maar volgens vele anderen is het ontwijfelbaar van anorganischen oorsprong.

Het dierlijk leven wordt in deze alleroudste Cambrische lagen ingeleid door Armpootigen: dieren met een tweekleppige kalkschaal en twee spiraalvormig opgerolde aanhangsels, de zoogenoemde armen, om den mond, welke men vroeger onder de Weekdieren rekende, maar die, zooals uit de ontwikkelingsgeschiedenis is gebleken, onder de Wormen behooren gerangschikt te worden; door nu geheel uitgestorven vormen van Schaaldieren, de Triboliten, waarvan de grootste wel 40 centimeter lang werden ; door Schelp- of Weekdieren, ook uit de hoog georganiseerde groep der N antilussen; door enkele Stekelhuidigen.

In het daarop volgende Silurische stelsel komen die vormen tot grooter ontwikkeling; nieuwe voegen zich er bij van Koralen, Zeesponsen en Huidzakdieren, en ook de eerste Visschen ontstaan. Uit dit tijdperk zijn ook de eerste sporen van landplanten afkomstig: in Amerika een kleine, in vochtigen grond zodenvormende Lycopodiacee, Psilophyton princeps; in Europa een varen, Eopteris Morieri; en in de hoogste lagen zijn aanwijzingen, die reeds duiden op de aanwezigheid van grootere vormen dier plantengroepen en ook van de bovengenoemde Cordaïten.

In het daarop volgende Devonische stelsel, dat met het vorige te zamen wel de overgangsformatie genoemd wordt, zijn vooral merkwaardig de overblijfsels van de Pantser-