is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

346

BLADEN DIT HET LEVENSBOEK

„Ik kan rijmen, ik kan verzen maken; ik bezit dezelfde gave als Tegnér, Runeberg, Wallin, ik ben huns gelijke geworden !"

Aan niemand deelde ik mijn geheim mede, maar den ganschen dag leefde ik als in een droom; ik hoorde niets van hetgeen om me heen werd gesproken en als mij iets gevraagd werd, gaf ik vreemde, zonderlinge antwoorden.

Nooit zal ik dien maaltijd 's avonds vergeten. Mijn vader en moeder, tante en de gouvernante, en mijn broers en zusters hadden allen plaats genomen. En ik zelf zat ook aan tafel. Klein en bleek met lang, bijna wit haar; oogenschijnlijk verschilde ik in niets van een ander jong meisje. Mijn vader zat als gewoonlijk aan het hoofd van de tafel; hij maakte schertsende opmerkingen tegen zijn zuster en de gouvernante. Het vroolijke, levendige gesprek liep over de kleine voorvallen uit het dagelijksche leven. Wat zouden ze gezegd hebben indien ze hadden kunnen vermoeden wat er in dien dag met mij gebeurd was en als ze geweten hadden welke hoopvolle verwachtingen bij mij waren opgewekt?"

Over één ding maakte ik me echter een weinig ongerust, Tante Wennerviek hacl niet voorspeld clat ik een beroemde grootheid worden zou. En iemand die verzen schrijft, die is een grootheid! Een dichter staat bijna boven een koning. Ik begon te gelooven dat ik me vergist had en dat ik de goddelijke gave niet bezat. Doch ik zeicle die twee regels wederom bij mezelf op, en dit was voldoende om mij gerust te stellen; ik gevoelde me trotsch en nameloos gelukkig.

Toen cle nacht eindelijk was aangebroken, wilde ik mijn pas ontdekt talent beproeven en begon ik een gedicht te schrijven. Ik voegde woorden en regels aaneen, en toen het dag begon te worden had ik een heele reeks coupletten gedicht.

Na dien nacht, jaren lang, heb ik verzen gemaakt bij alle mogelijke gelegenheden, overdag en 's nachts, in de schemering en bij het aanbreken van den dageraad. En al deze gedichten zijn verspreid, als herfstbladeren door den wind voortgestuwd, maar tusschen al dat middelmatige werk is er slechts één gedicht dat me lief is geworden en dat kleine vers zeg ik nog bij mezelf op, als ik over zonverlichte vel-