is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

424

DE POOL-ESKIMO'S.

ren, die hunne kust bezoeken of in het binnenland leven. Zij weten waar zij in ieder jaargetijde hun jachtgrond moeten zoeken en daarnaar ondernemen zij hunne tochten, welke tochten 9 van de 12 maanden over de bevroren zee kunnen worden gedaan. Dit noodzakelijke rondtrekken en deze neiging tot zwerven zijn zóó ingeroest, dat de winterhut welke een familie voor één winter heeft opgericht en bewoond, den volgenden winter gerust door iemand anders in gebruik kan worden genomen.

Wanneer een Eskimo in de lente, als de zon begint te schijnen, zijn winterverblijf verlaat, zijne huiden en huisraad op een slede gepakt heeft en naar een verren jachtgrond vertrokken is, heeft hij dit gedaan zonder bepaalde gedachte aan terugkeer. Als de volgende winter aanbieekt, heeft de familie op verschillende plaatsen in een sneeuwhut en zomertent geleefd en gaat zij overwinteren op een plaats welke misschien 400 mijlen van die van den vorigen winter verwijderd is. Hier kent men geen te huis in onzen zin. Als de Pool-Eskimo aan iets hechtte, dan zou het aan een goeden jachtgrond zijn, waar men de kans heeft een grooten voorraad vleesch en spek te kunnen verzamelen.

Van deze neiging tot zwerven hebben verschillende poolonderzoekers en vooral Peary partij getrokken. Knoed Rasmussen vertelt dat de eerste keer dat Peary daar kwam en den stam met zich mee nam, zij hem gaarne volgden omdat zij dachten dat hij hen naar nieuwe jachtgronden zou brengen; doch toen zij langzamerhand ontdekten dat hij altijd langs den Noordelijken Smith Sond door Kane Basin en het Kennedykanaal ging, kregen zij er genoeg van en gingen slechts gedwongen mee. Deze districten zijn feitelijk totaal ongeschikt voor het Eskimoleven en-bestaan. Enorme gletschers van het ijs van het binnenland van Groenland vullen de zee met ijsbergen, terwijl van de Pool pakijs afkomt, wat het ijs voor hondesleden nagenoeg onbegaanbaar maakt, en de kust bovendien onvruchtbaar en rotsachtig, is zonder rendieren of muskusossen.

Als Peary zegt, dat hij het geweest is, die de Pool-Eskimo's onderwezen heeft in poolonderzoek, is dit erg overdreven, al is er dan ook iets van aan. Zooals alle natuurkin-