is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (3e deel) [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

THEODORE ROOSEVELT.

keuze bleek later zeer juist te zijn geweest, claar Wood kort daarna tot brigade-generaal bevorderd werd en de Bough Biders uitstekend werk deden. Het is de daad van een jongen, van een grooten moedigen jongen, zooals in alles wat Roosevelt gezegd en gedaan heeft iets eeuwig jongensachtig is. Evenals Peter Pan werd hij nooit geheel volwassen. De geschiedenis van de Rough Biders werd lateiin een schilderachtig verhaal door hun commandant publiek gemaakt, waardoor hij de held van het geheele land werd. Zijne verhouding tot de Bough Biders was als die van vader tot kind en in moeilijke omstandigheden namen zij steeds tot hem hunne toevlucht. Zoo schreef een van hen : ,/Waarde Kolonel! Ik zit in moeilijkheden. Ik schoot eene dame in het oog, terwijl het mijn plan niet was haar te raken. Ik schoot op mijn vrouw!" Aan een anderen Bough Bider, die wegens diefstal van een paard gevangen genomen was, zond hij 200 dollars om zijn verdediger te betalen. Het geld werd teruggezonden omdat de zaak geen voortgang had. „Wij kozen onzen districts-advocaat zelf."

Het eerste gedeelte van Roosevelts loopbaan is hiermede afgesloten. Vanaf dit oogenblik is het eene voortdurende stijging naar het toppunt van roem. Na zijn militair succes naar het gouverneurschap van den staat New-York dingende, behaalde hij de overwinning, en werd hij in staat gesteld eenige hervormingen door te zetten, waaraan hij reeds in vroegere betrekkingen begonnen was. In 1901 werd hij door zijne partij feitelijk gedwongen het Vice-presidentschap te aanvaarden, dat gewoonlijk als een bijzonder geschikte betrekking voor onbeduidende personen beschouwd werd. Hij verzette zich dan ook met al zijn kracht en „hield zich bezig met te trachten niet tot Vice-president te worden benoemd."

Reeds in 1896 schreef hij in een tijdschrift: „De Vicepresident is een ambtenaar eenig in karakter en werkzaamheden of beter gezegd in gemis aan werkzaamheden", en nu voegde hij er aan toe: „ik wensch geen vier jaar in den Senaat te zitten om steeds te moeten vragen: „Zijn al de heeren het met de motie eens?" En verder zou ik tot zwijgen verplicht zijn."