is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (3e deel) [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EN ELECTRONEN ?

89

deeltjes. Door ontlading tusschen twee zilverpolen deed hij van het allerfijnste zilverstof in de lucht ontstaan, bij welks onderzoek door het ultramicroscoop bleek, dat die gesuspendeerde deeltjes de karakteristieke Brown'sche bewegingen maakten. Het eenige verschil was, dat deeltjes van gelijke grootte in gassen veel grooteren weg aflegden dan in vloeistoffen .

Gewoonlijk hebben de deeltjes dezelfde beweging, welke de kinetische theorie aan de moleculen zeiven toeschrijft, al zijn dan ook zelfs de allerkleinste deeltjes, die onderzocht werden, zeer groot in vergelijking met de moleculen. De beschouwer kan de gedachte niet van zich afzetten, dat de deeltjes door bepaalde krachten, die in de oplossing aanwezig zijn, heen en weer geslingerd worden, en dat deze haar oorspong slechts kunnen ontleenen aan de onafgebroken, nooit ophoudende beweging van de onzichtbare moleculen, waaruit de vloeistof bestaat. Smoluchowski en Einstein hebben hiervoor verklaringen gegeven, die op de kinetische theorie steunen en met welke de uitkomsten, door berekening en proefneming gevonden, goed overeenstemmen. Hunne beschouwingen hebben een krachtigen steun gevonden in de nieuwste proeven van Perrin (1909), die de bevindingen van beide schrijvers bevestigden en uitbreidden. Perrin maakte een emulsie van hars in water, bestaande uit een groot aantal bolvormige harsdeeltjes van gelijke grootte, welke de kenmerkende Brown'sche beweging vertoonen. De deeltjes bezonken in de vloeistof en nadat een evenwichtstoestand was verkregen, werd hunne verdeeling in verschillende lagen door telling onder het microscoop bepaald. Hierbij bleek, dat volgens dezelfde wet, die den druk der atmosfeer op de Aarde beheerscht, ook hier het aantal deeltjes in de hoogere lagen het geringst, op den bodem van het vat het grootst was. Bij een afzonderlijke proef bleek, dat het aantal deeltjes in een volumeeenheid bij een stijging van 0,38 m.M. boven den bodem, tot op de helft was ingekrompen, terwijl de overeenkomstige stijging in de lucht 6000 M. bedraagt. Bij zijn metingen van de grootte en van het gewicht der deeltjes, bevond Perrin, dat binnen de proefondervindelijke nauw-