is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (3e deel) [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LEONARDO DA VINCI ALS BEELDHOUWER.

191

dat het zijn geheele leven in beslag zal nemen, terwijl de onderneming van «ulk een omvang is, dat hij naar ik vrees haar nimmer zal kunnen voltooien."

Daar het ruiterstandbeeld van Francesco Sforza verrewee het meest belangrijke beeldhouwwerk is, dat Leonardo heeft uitgevoerd en inderdaad het eenige waarvan de geschiedenis uitvoerig melding maakt, kan het aanbeveling verdienen de geschiedenis ervan in 't kort mee te deelen, voorzoover deze uit verhalen uit dien tijd bekend is. Leonardo werkte er zestien achtereenvolgende jaren aan volgens de getuigenis van Fra Sabba di Castiglione, die er bij tegenwoordig was toen het na de bezetting van Milaan door de Franschen door de pijlen van de üascogner boogschutters vernietigd werd. Waarschijnlijk geschiedde dit in April 1500 na den slag bij Novara, aangezien, toen de Franschen de stad in het vorige jaar bezetten, het den soldaten verboden was zich tot daden van plundering te laten verleiden. De zestien jaren waarop de uiting van den monnik betrekking hebben moeten dus gelegen zijn tusschen 1482 en J 498 of tusschen 1483 en 1499. Zij vielen dus feitelijk samen met Leonardo s eerste verblijf in Milaan. Met deze bewering kan evenwel met bedoeld zijn, dat hij zich uitsluitend met het standbeeld bezig hield, want gedurende deze periode schilderde hij het Laatste Avondmaal en portretten van verschillende dames aan het Hof. Door zijn werk aan het standbeeld maakte hij evenwel den meesten indruk op zijne tijdgenooten te Milaan. Talrijke mededeelingen van practischen en tecbmschen aard uit zijne geschriften, die op dezen arbeid betrekking hebben, worden door Dr. Richter (De Letterkundige werken van L. da V., Dl II) vermeld Zr, loopen over de wijze van gieten, over de afmetingen,' over het maken van den vorm en over de maten van het paard dat als model diende; „de Siciliaan van Messer Galeazzo// De verschillende teekeningen die op het standbeeld betrekking hebben, welke zich voor het grootste deel in de koninklijke verzameling te Windsor bevinden, kunnen in twee groepen gesplitst worden; in de eene is het paard voorgesteld galoppeerend en trappend op een gevallen voetknecht in de andere stapt het paard.