is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (3e deel) [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

300

ONZK TEGENWOORDIGE KENNIS OMTRENT

De glycose komt natuurlijk in ons lichaam door de voedselopname. Dadelijk in dezen vorm nemen wij haar op als bestanddeel van vruchten, maar het grootste gedeelte ontstaat pas uit de omzetting der koolhydraten (zetmeel, rietsuiker) door de fermenten (diastasen) van het spijsverteringsapparaat. De glycose wordt door den darm wand heen opgeslorpt en komt door de poortader in de lever.

Sedert de onsterfelijke onderzoekingen van Claude Bernard, later bevestigd en uitgebreid door vele anderen, weten wij dat de lever de glycose verandert in glycogeen en haar in dezen vorm opstapelt jn haar cellen. Daar wacht het glycogeen de behoeften van het organisme af: naarmate het lichaam arbeidt en brandstof noodig heeft, verandert het glycogeen weder in glycose, en wordt het in de bloedcirculatie opgenomen, ten einde in de arbeidende organen gebracht te worden.

Het verloop der zaken bij diabetes schijnt dus eenvoudig. Er zal hyperglycaemie ontstaan: 1°. wanneer de lever niet in staat is om de suiker tot glycogeen te maken en zoo vast te houden, 2°. wanneer de lever meer glycogeen tot glycose omzet en in circulatie brengt, dan noodig is, 3°. wanneer het bloed niet voldoende glycolytisch (glycose-splijtend) ferment bevat om al de suiker, die de lever er aan toevoert, te verwerken in de spieren.

Zoo vatte men de gang van zaken op vóór de ontdekkingen van von Mering, Minkowski, Lépine, e.a, omtrent pancreas-diabetes. Daaruit bleek dat het pancreas (de alvleeschklier) een belangrijke rol speelt bij het ontstaan van suikerziekte. Het eenvoudig wegnemen van het pancreas bij een dier is voldoende om het zeer spoedig diabetisch te maken, te doen verkwijnen en onverbiddelijk sterven.

En dit is niet te wijten aan het ontbreken van het alvleeschsap in het darmkanaal, want dit kan men ook bereiken door de uitvoergangen der klier dicht te snoeren, en dan wordt het dier niet diabetisch. Het is het gevolg van de zoogenoemde kinterne secretiet der klier.

Er zijn n.1. verschillende verschijnselen (het vetlijvig worden bij extirpeeren van de eierstokken, het kwijnen na verwijdering der schildklier, enz.), die er op wijzen dat vele klieren in het men°schelijk lichaam, behalve hunne hoofdfunctie van afscheiding hunner specifieke producten, nog op andere wijze invloed uitoefenen op de stofwisseling, en wel door het afgeven aan het bloed van eigenaardige stoffen. Men noemt dit hunne interne secretie.

De genoemde onderzoekers hebben nu aangetoond, dat het voldoende is, om bij van hun pancreas beroofde dieren een klein stukje van dit orgaan weer onder de huid te brengen, om te verhinderen dat zij