is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (3e deel) [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST VAN MESOPOTAM1Ë.

427

van den Euphraat, en de bewoners van Babylonië hebben die zeer juist beschreven als het water „dat naar het Oosten van Assyrië stroomt".

En de vierde arm was de Euphraat. Hier was een nadere beschrijving niet noodig: hij was de rivier van Babylonië.1

Evenals de Babylonische kolonisten den naam Tigris medenamen naar Ninivé, en daar evenzoo de rivier Tigris noemden, zoo w.erd zonder twijfel in later tijd aan de groote rivier, wier oever de bakermat der natie was, de naam van Babylon's stroom gegeven : van zijn oorsprong tot zijn monding noemde men hem Euphraat, en den anderen Tigris.

De Tigris-delta begint bij Beled, ten Zuiden van Samara, tegenover een der meest belangwekkende kunstwerken die uit de oudheid tot ons zijn gekomen. De plaatselijke volkssage weet mede te deelen, dat Nimrod den ouden Tigris door grondmassa's afdamde en den stroom over den steen ach tigen bodem van de oevers er naast leidde. Hij verhoogde daardoor de rivierbedding, waardoor de rivier het gansche land kon bevloeien. De Tigris werd bevaarbaar bij Opis, en stroomde van daar af voorbij Bagdad tot Koeth door zijn tegenwoordige bedding. Van Koeth tot Ur in Chaldaea i volgde de Tigris oorspronkelijk de richting van den tegen- i woordigen Hai of Garraf-Armes. Het land rondom Amara en Goerna aan den tegenwoordigen Tigris was toen een groote watervlakte, bekend als het meer van Soesiana. De oppervlakte van het land levert daarvoor het zekerste bewijs.

Bij Ur in Chaldaea stroomden Euphraat en Tigris samen. De vereenigde wateren kwamen daarna in het Boebiankanaal van Chor Abdoella. De kaart der Engelsche admiraliteit geeft een duidelijke teekening van de oude riviermonding ten N. van Koweit. De Chor Abdoellah heeft twee armen ; de eene ontvangt de vereenigde wateren van

1) Omtrent de vermelde vier armen moet de vraag rijzen, of nu na misschien 24 eeuwen de hydrographische toestanden ter plaatse niet zoozeer gewijzigd zullen zijn, dat de toestand van toen nu moeielijk kan worden geconstateerd, daargelaten nog. dat de schrijvers van Genesis vroegere mythen omwerkten en het niet zeker is of zij voldoende plaatselijke kennis hadden om voor juiste plaatsbeschrijving te kunnen zorg drager). Vert.