is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (3e deel) [Inhoudsopgave]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERLEDEN, HEDEN EN TOEKOMST VAN MESOPOTAMIË.

441

ons Tigris en Euphraat al het noodige water leveren, dat van het N. en het W. in het meer samenstroomt.

Van de Zuid-Oostzijde van het meer, nabij Bagdad, zal verder een kanaal uitgaan, dat langs den rechteroever van den Tigris loopt en ten slotte in de Hai-arm of ouden Tigris uitmondt nabij de plaats, waar deze met den Tigris samenstroomt.

Dit kanaal moet, nu nog wel niet, maar in de toekomst, ongeveer 243000 H.A. land van water voorzien. De ontzaggelijke massa's slib, die ongeveer 15 dagen per jaar worden medegevoerd, en die zooveel kwaad stichten, worden op deze wijze naar cle zee afgevoerd, zooals in 't algemeen met alle slibwater moet geschieden, zoover wij het niet gebruiken kunnen zooals het is. Op bepaalde tijden van hoogwater, waarop het water niet veel slib bevat, zal het mogelijk zijn, op verschillende plaatsen hoeveelheden water uit het kanaal af te tappen.

Verder zal de linkeroever van het kanaal aan de Tigriszijde als dijk ter bescherming tegen hoog water in den Tigris moeten dienen. Hier zal het dan ook noodig zijn, een spoorlijn aan te leggen, om de rijke oogsten te helpen vervoeren. En van lieverlede zullen wij de oude steden als gewichtige centra van het bloeiende land zien herrijzen.

Daar het water van Euphraat en Tigris in gewone omstandigheden niet veel slib bevat, is het niet noodig, het kanaal te voltooien, voordat wij het water er van aanwenden. Integendeel is het ons plan, eerst slechts pl.m. 50 K.M. te maken en terstond over dezen afstand met de bevloeiïng te beginnen, terwijl het kanaal verder in stukken van telkens 50 K.M. wordt aangelegd. Op die wijze verliezen we geen tijd.

Naar de volgende beginselen moet het werk worden aangepakt. Ik stel het mij zóó voor, dat de regeering den aanleg en het onderhoud van de dijken, hoofdkanalen en voornaamste zijslooten, van eventueele scheepvaartwerken, van werken tot afleiding van hoog water en van noodige afdammingen op zich neemt, en daarvoor het volledig beheer van de rivieren in handen heeft. Alle kleinere kanalen, slooten en waterbouwwerken moeten overgelaten worden