is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1912 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124

DE STERRENKUNDIGE JOHANNES HEVELIUS.

moeden omtrent de werkelijke gedaante der kometenbanen, doch hij voelde dit resultaat meer dan dat hij het wetenschappelijk doorgrondde en eerst Dörfel verleende aan deze „hypothese van Hevelius" een hechteren grondslag. De baan «ener komeet is geen cirkel, evenmin een rechte lijn, zooals Kepler meende, maar een parabool of in elk geval een kegelsnede om de zon „evenals," zoo dacht hij, „een door den luchtweerstand zich bewegende schijf een gebogen baan volgt". Moge deze hypothese al onjuist geweest zijn, de door hem waargenomen kometenplaatsen waren 200 jaar later nog voor Encke bruikbaar. Bovendien heeft Hevelius alle in zijn tijd plaats gehad hebbende zon- en maansverduisteringen, sterbedekkingen en planetenconjuncties waargenomen en de uitkomsten in een groot aantal geschriften neergelegd. Hij was onvermoeid waar het gold het doorvorschen van wat hij noemde „het Gewelf van den Grooten Bouwmeester", en uit zijne nagelaten handschriften kon zijne weduwe nog een sterrencatalogus en een sterrenatlas doen uitgeven. Maar hoe groot ook naar de opvattingen van zijn tijd de nauwkeurigheid zijner waarnemingen geweest moge zijn, ze was gering naar de tegenwoordige begrippen, daar hij de aberratie van het licht niet kende en de straalbreking meende te kunnen verwaarloozen zoodra een hemellicht meer dan 20° hoog stond.1

Zooals reeds gezegd is, was Hevelius in de eerste plaats «en praktisch man; zoo ontbrak o.a. aan zijne mechanische talenten een zekere scheppingskracht, maar toch is de wijze waarop hij den strijd tegen de bronnen van fouten zijner instrumenten voerde, belangwekkend voor cle geschiedenis der mechanica. In het eerste deel van zijn „Machina coelestis" geeft hij een uitvoerige beschrijving van zijn waarnemingsmateriaal, sextanten, octanten, kwadranten en andere

1) Deze opmerking geldt in het algemeen wanneer alleen eindresultaten zijn bewaard gebleven. Hevelius schijnt echter zijne waarnemingen „in extenso" te hebben nagelaten, zoodat de reducties naar nieuwere inzichten of verbeterde tafels opnieuw konden worden aangebracht. Dit is herhaaldelijk met oude waarnemingen geschied; de onnauwkeurigheid van die van Hevelius mag wel, n'en déplaise de 4" verschil met Halley, aan zijne methode geweten worden.