is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1912 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

232

HET OPSTIJGEN VAN HET WATER IN DE PLANTEN.

Het parenchym is een weefsel van dunwandige cellen, die rond zijn of veelhoekig, en wier lengte niet vele malen grooter is dan hare breedte.

De tracheiden zijn in de lengte uitgegroeide cellen.

De proeven werden nu op de volgende wijze genomen. Een afgesneden tak van den een of anderen boom werd met zijn basis in een oplossing van eosine geplaatst, die zich in een flesch met nauwen hals bevond, en die toestel aan het zonlicht blootgesteld. Na eenigen tijd was de gekleurde vloeistof tot een aanzienlijke hoogte gestegen, en wanneer nu de tak werd doorgesneden zag men, dat alleen het hout een roode kleur had aangenomen, terwijl de schors en het merg ongekleurd waren gebleven.

Hoe voorzichtig men zijn moet met het trekken van een besluit uit deze proeven, kan blijken uit de volgende vergelijkenderwijze genomen proeven:

1. Men plaatste een afgesneden plant in een kleurstofoplossing; deze steeg op in de vaten en de tracheiden.

2. Men plaatste eene, van wortels voorziene, plant van dezelfde soort in dezelfde oplossing; de kleurstof werd, zoo lang de wortel leefde, niet in noemenswaarde hoeveelheid opgenomen.

Uit de eerste proef wordt dikwijls het besluit getrokken, dat alleen de vaten en de tracheiden de banen zijn, waarlangs het vocht opstijgt; uit de tweede proef zou, niet dezelfde logica, afgeleid moeten worden dat de wortel heelemaal geen water van beteekenis opneemt.

Onder alle celvormen schijnen voornamelijk de vaten bestemd te zijn om het water te vervoeren; zij toch hebben den vorm van lange buizen en gelijken dus het meest op de toestellen, die ook door den technicus voor hetzelfde doel gebruikt worden. Het beste bewijs voor de functie der vaten werd verkregen door hunne inwendige holten te verstoppen en zoo den doorloop van het water te belemmeren. Na deze behandeling verdorden de bladeren, zij werden dus niet in voldoende mate van water voorzien. Duidelijk was door deze proef aangetoond, dat het water hoofdzakelijk in de inwendige holten der vaten stroomt en niet in hunne wanden, zooals Sachs in zijn Imbibitietheorie had aangeno-