is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1912 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DEN VELDTOCHT IN FRANKRIJK IN 1814.

289

kwetsten te zien die van het slagveld worden weggevoerd; wij zagen er velen onder weg.. Wij hebben, vrees ik, zware verliezen; maar de Wurttembergers en de Pruisen hebben het meest geleden. Wij hebben hier een schitterend leger, maar het zal het land dat arm is en reeds uitgeput, geheel te gronde richten. Hoe kunt gij mij vragen wie vorst Metternich is? Ik dacht, dat ieder deze groote persoonlijkheid kende die de eerste minister is van den keizer van Oostenrijk en die voor een onvergelijkelijk bekwaam diplomaat doorgaat, een ongeloofelijk handig man, die keizers, koningen en ministers om zijn vingers windt, zoodat zij allen een beetje schuw voor hem zijn. Hij is heel aangenaam in den omgang en heeft een goed voorkomen. De twee andere eerste ministers zijn de Rus Nesselrode, een klein, slim, handig en leelijk mannetje en de Pruis Hardenberg, een goed en waardig grijsaard die wel een aangenamen indruk maakt maar stokdoof is, zoodat men hem alles in de ooren moet schreeuwen, waardoor elk behoorlijk gesprek onmogelijk is.

Daar juist komt een koerier van Schwarzenberg. In plaats van aan te vallen is Bonaparte van Troyes op Nogent teruggetrokken.

De keizer van Oostenrijk heeft vandaag een erge migraine, de arme man gaat zeer gebukt onder het droevig lot van de keizerin, zijne dochter, van wie hij veel houdt. Zij is niet erg bemind in Frankrijk; men zegt dat zij heel trotsch is.

Troyes 8 Februari. Ik heb vandaag Burghersh weer bij mij, die van nacht met Schwarzenberg hier gekomen is. De stad is groot, leelijk, vuil en stikvol: al de geallieerden, de twee keizers, de koning en Schwarzenberg. Het land maakt een droevigen indruk, en de overblijfselen van den slag hebben mij herinnerd aan wat ik in Duitschland gezien heb. De arme inwoners hebben een hard lot, want de streek is volkomen uitgeput. Niettegenstaande alle moeite die de chefs zich geven is het volkomen onmogelijk aan de troepen de buitensporigheden te beletten die zij begaan en waardoor zij de arme uitgeputte bevolking geheel te gronde richten. Wij

W. B. I, 1912. lö '