is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1912 (1e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SCHADUW IN HET VOLKSGELOOF.

387

standig wezen Dit is bijvoorbeeld het geval in de volgende Iersche vertelling. Een vrouw was getrouwd geweest met een vampier. Na zijn dood ging zij op zekeren nacht naar zijn graf, nieuwsgierig om te hooren of hij werkelijk lag te smakken, zooals men zei dat vampieren doen. Terwijl zij daar stond te luisteren, zag zij plotseling dat haar eigen schaduw heftige gebaren tegen haar maakte, hoewel zij toch zelf stil stond. Zij begreep de bedoeling van deze waarschuwing en ging op de vlucht. Zoodoende ontkwam zij aan den vampier.1 Hier bezat dus de schaduw een bovennatuurlijke wetenschap.

Niet steeds is de schaduw zoo welwillend als in deze sage. In Griekenland spreekt men van goede en booze schaduwen, evenals van goede en booze geesten, die een mensch volgen. Ben goede schaduw helpt haar bezitter op allerlei wijze; een booze schaduw maakt het haar bezitter lastig. Daarom zegt men van iemand, die zonder merkbare moeite in alles slaagt, dat hij een goede schaduw heeft, en van iemand, die door het noodlot vervolgd wordt, dat hij een slechte schaduw heeft.2

In Macedonië noemt men de nachtmaar „schaduw". De moeders waarschuwen haar kinderen, de schaduwen niet boos te maken : „Plaag je schaduw niet, want dan komt zij op je zitten.3 Hier is dus de schaduw een kwaadgezind wezen, dat men niet tegen zich in het harnas moet jagen.

Te Napels kent men een volksgebruik, dat gelijkt op de Maleische gewoonte om zich van de schaduw te bedienen in liefdezaken. Om de geliefde persoon te beletten, met iemand anders betrekking aan te knoopen, gaat men op een weg staan, zóó dicht, dat de schaduw op den weg valt, en spreekt die schaduw aan: „Goeden avond mijn schaduwtje, goeden avond voor mij, goeden avond voor jou;

in de oogen van N mogen alle menschen leelijk

zijn, maar ik ben schoon als de maan." Terwijl men zich zelf noemt, raakt men de borst aan, terwijl men de be-

1) Kochholz, I, p. 104.

2) B. Schmidt, Das Volksleben der Neugriechen, Leipzig, 1871, p. 181.

3) Abbott, Macedonian folk-lore, Cambridge, 1903, p. 257.