is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

268

BESTENDIGE EN ONBESTENDIGE KLEURSTOFFEN.

pingsspectra van gekleurde lichamen beschikken wij over een analytische methode, die opmerkelijk scherp en nauwkeurig is. Met een enkelen blik kunnen wij voor elke kleurstof nauwkeurig bepalen welke kleuren van het spectrum zij bij voorkeur opslorpt, en als wij, zoo als reeds lang geschied is, alle kleurstoffen spectroscopisch onderzoeken, dan volgt uit het feit, dat elk van haar een eigen, uitsluitend haar toekomend spectrum levert, het besluit dat alle kleurstoffen, hoeveel overeenkomst zij bij een oppervlakkige beschouwing ook met elkaar mogen hebben, scherp van elkaar onderscheiden zijn. Elk van haar gedraagt zich tegenover het licht anders als alle andere, en al deze verschillende werkingen kunnen niet verklaard worden door een enkel woord „oxydatie" of „reductie" ! Wij moeten beter toezien en dieper nadenken om in deze tallooze verschillende werkingen datgene op te sporen, wat zij gemeenschappelijk hebben.

De fout dezer verklaringen ligt daarin, dat men het belangrijkste voorbijziet; het licht, dat de kleurstof niet opslorpt, verwekt in ons oog den indruk der kleur; maar wij hebben er belang bij, te weten wat er gebeurt met bet licht, dat door de lichamen opgeslorpt is, want, als wij met een onbestendige kleurstof te doen hebben, moet men dit licht voor de wijziging der kleur verantwoordelijk stellen. Dit opgeslorpte licht is toch ook arbeidsvermogen, dat in een of anderen vorm weer moet optreden; want arbeidsvermogen wordt nu eenmaal niet vernietigd.

Wat gebeurt er dus met het opgeslorpte licht?

Wil men, om het antwoord op die vraag te zoeken, stelselmatig te werk gaan, dan moet men eerst nagaan, hoe die lichamen zich gedragen, die bij de opslorping geen voorkeur vertoonen voor deze of gene kleuren van de vele, waaruit wit licht is samengesteld. Deze zullen öf al het licht dat op hen valt, opslorpen en dan noemt men ze zwart; öf zij zullen alles terugkaatsen en dan zijn zij wit; öf zij laten al het licht door en dan zijn zij doorzichtig. In haar geheelen omvang zijn deze bepalingen op geen enkel lichaam op aarde toepasselijk; lichamen, die slechts een gedeelte van het licht opslorpen en een ander deel terugkaatsen of doorlaten, vertoonen de talrijke nuancen