is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (2e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

386

EEN GESPREK MET RODIN OVER HET ENZ.

hem dierbaar zijn, en zelfs in het verraad van een vriend vindt de groote kunstenaar — en ik versta onder dat woord zoowel den dichter als den schilder of den beeldhouwer, — het tragisch zingenot der bewondering.

Soms wordt zijn hart gemarteld, maar nog sterker dan zijn smart voelt hij de wrange vreugde van begrijpen en uitdrukken. In al wat hij ziet, vat hij duidelijk de bedoeling van het noodlot. Zijn eigen doodsangst, zijn ergste wonden beschouwt hij met den geestdriftigen blik van den mensch, die het vonnis van het lot geraden heeft. Bedrogen door een geliefd wezen, wankelt hij onder den slag°; zich daarna herstellend, beschouwt hij de ontrouwe als een schoon voorbeeld van laagheid, hij begroet de ondankbaarheid als een ervaring, waarmede zijn ziel zich verrijkt. Zijn geestvervoering is soms schrikwekkend, maar toch is ze een geluk, want zij is de aanhoudende aanbidding van de waarheid.

Wanneer hij schepselen ziet die elkaar vernietigen, jeugd die verwelkt, kracht die verdwijnt, vernuft dat uitdooft, wanneer hij den wil in het aangezicht ziet die al deze treurige wetten uitvaardigde, dan geniet hij meer dan ooit van te weten, en verzadigd van waarheid, is hij onuitsprekelijk gelukkig.