is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MELCH10R DE VOGÜÉ.

3

»In later jaren,« schreef hij op rijpen leeftijd, »heb ik ten gevolge van mijn zwervend leven tal van dergelijke indrukken van het groote verleden ontvangen, in het Coliseüm, in den Acropolis, tusschen de overblijfselen van Ephese en Baalbeck, onder de zuilen van Loeksor en de koepels van Samarkand, en zeer zeker heb ik dit alles bewonderd; maar toch heb ik nergens die eerste verrukking gevoeld, toch hebben nergens mijne oogen die blijvende indrukken ontvangen, welke de overblijfselen der oudheid in Provence bij mij opgewekt hadden; die blokken Romeinsch metselwerk, welke schenen te trillen door de trilling der lucht onder de gouden middagzon, te midden der bleekgroene wilgen, waaruit de zang der krekels opsteeg als een klaaglied.«

Op zijn twintigste jaar kon hij gevolg geven aan zijn, door de reisverhalen in de bibliotheek opgewekten, wensch om vreemde landen te zien en toog hij naar Italië; maar twee jaar later riep het gevaar, waarin het vaderland verkeerde, hem naar Frankrijk terug en trad hij met een ouderen broeder die op de school van St. Cyr was, als gewoon soldaat in dienst. Hij streed te Rethel, werd te Beaumont licht gewond en zag aan het eind van den tragischen dag van Sedan zijn broeder aan zijne zijde vallen, terwijl hij zelf in krijgsgevangenschap geraakte en gedurende zes maanden te Maagdenburg werd geïnterneerd.

Na zijn ontslag uit de krijgsgevangenschap, met zijn militaire medaille, waaraan hij altijd veei waarde hechtte, op de borst, in het burgerlijk leven teruggekeerd, werd hij door Thiers, die voor de diplomatie dragers zocht van oude namen, aan de vreemde hoven uit den tijd der monarchie bekend, bij dezen tak van den staatsdienst geplaatst en, na een tijd van voorbereiding aan het Departement van Buitenlandsche Zaken, naar Konstan tin opel gezonden om onder zijn bloedverwant, den Marquis de Vogüé, als attaché dienst te doen. Van daar werd hij in 1875 naar het gezantschap te Kaïro overgeplaatst,

In die jaren vierde hij weder zijn reislust bot. Zoo bezocht hij in 1872 Ephese, Rhodus, Byblos, Baalbeck en Jeruzalem, in 1 875 Mont Athos en tijdens zijn verblijf in Egypte natuurlijk het Nijldal. En overal trok hem het ver-