is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

214

TALLEYHAND.

gegevens, die hem in later tijd, onder het Directoire, in staat stelden twee bewonderenswaardige lezingen voor het Nationale Instituut te houden. Zijne blikken hield hij echter steeds gericht op Frankrijk, waar hij weer een arbeidsveld hoopte te vinden. Den ]0den Juni 1795 richtte hij tot de Conventie het verzoek zijn vaderland weder te mogen bezoeken, verklarende door zijne beginselen en gevoelens een waardig zoon daarvan te zijn, en bewerende niet onder de émigrés gerangschikt te moeten worden, omdat hij Frankrijk met een opdracht van het Voorloopig Bewind verlaten had. Den 8sten September herriep de Conventie het decreet, waarbij hij in staat van beschuldiging was gesteld en schrapte zijn naam van de lijst der émigrés. Vooral aan de krachtdadige tusschenkomst van Made- de Staël had hij deze rehabilitatie te danken.

Hij bedankte haar schriftelijk in warme bewoordingen, en verzekerde haar, onder meer, dat hij de rest van zijn leven in hare nabijheid zou doorbrengen, waar zij zich ook mocht bevinden. „Lieve vriendin," gaat hij voort, „ik bemin u met hart en ziel."1 In zijn Mémoires wordt echter van Made- de Staël met betrekking tot deze zaak geen gewag gemaakt. Wat meer zegt, hij vertelt daarin, met wat de Lacombe euphemistisch „een heel vreemd gebrek aan herinneringsvermogen" noemt, dat: „Het decreet, dat mij vergunde naar Frankrijk terug te keeren... uitgevaardigd (was) zonder eenigen aandrang van mijne zijde, ja zelfs, zonder dat ik er van af wist." In Juli 1796 kwam hij te Hamburg aan, waar hij tal van vrienden aantrof, onder anderen den Gouverneur Morris en Made- de Flahaut, wier echtgenoot onder de guillotine was gevallen en die nu met den Portugeeschen minister de Souza in eene sentimenteele verhouding stond, die met een huwelijk eindigde. Den 20sten September kwam hij te Parijs aan, waar Made- de Staël zich zijn beschermengel bleef toonen.

Hij was zoo goed als straatarm en schreef haar: „Mijn lieve kind, ik heb niet meer dan 25 louis d'or over. . . . als je geen kans ziet mij aan eene geschikte positie te hel-

1) La Vie Privée blz. 101.