is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

348

DE KUNST DEK HOL EN BEWONERS.

vat Gargas in de Hautes-Pyrènées, Marsoulas in de Haute* Garonne, Niaux, le Portel, la Vache, Pradières, Bédeilhae en le Mas d'Azil in Ariège. Aan de andere zijde der Pyreneeën, blijkt Spanje even rijk. Cantabrië toont ons zeventien versierde grotten, waarvan Altamira de parel uitmaakt. In Beneden-Arragon, ten Zuiden van de Ebro, telt men een tiental beschilderde schuilplaatsen. In Catalonië is vooral de rots Cogul, nabij Lerida, bijzonder belangrijk. Ten slotte hebben onlangs nasporingen in Estramadura, die nauwelijks zijn afgeloopen, tot gelukkige uitkomsten geleid. Het zijn dus de streken van Périgord, van de Pyreneeën en van zekere Spaansche Sierras (waar men geen grotten aantreft, doch slechts rotsen), die bijna het monopolie van de kunst der holen bewoners bezitten.

De oorzaken van dit voorrecht moeten in den aardrijkskundigen toestand en in het klimaat gezocht worden. Het steppenklimaat, dat door cle laatste uitbreiding der gletschers veroorzaakt werd, dwong natuurlijk de volksstammen om die streken als woonplaats te kiezen, waar een betrekkelijk zacht klimaat heerschte en waar de rotsen de meeste natuurlijke schuilplaatsen boden. Gedurende het zeer koude rendier-tijdperk hebben de menschelijke horden daarom op kalkhoudenden bodem en soms ook op zandsteenbodem vertoefd. Daar toch vonden zij in cle rotsen en grotten schuilplaatsen, die elders ontbraken. Volgens de geologen zijn deze holen door water voortgebracht. Door de spleten der rotsen heeft het water zich in den loop van duizenden jaren onderaardsche doortochten gebaand. Het water heeft de rots verteerd en daardoor ontstonden geulen, gangen, kamers, van allerlei vorm en afmeting. Toen later het klimaat droger werd, verdween het stroomencl water, werden de holen toegankelijk en door beren en hyena's als schuilplaatsen gebruikt. Vervolgens kwain de mensch, door eene koude die bijna met die onzer tegenwoordige poolstreken kan worden vergeleken, van de hoogvlakten verdreven, en maakte zich, niet zonder' vreeselijken en vaak noodlottigen strijd met de bewoners, van de holen meester. Eenmaal meester van de grotten, richtte hij zijn woonplaats in aan den ingang, en leefde daar vele eeuwen. Hij maakte groote