is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

356

DE KUNST DEK HOLENBEWON EKS.

kleine punten, geschikt op verschillende manieren, in eenvoudige lijnen, in banden van allerlei vormen, in cirkels, of in eivormige figuren. Al deze teekens, waarvan de verklaring geheel op onderstellingen berust — zooals we lateizullen mededeelen —, werden nauwkeurig afgebeeld en vergeleken. Volgens Breuil — en zijn theorie is zeer waarschijnlijk — moet de oorsprong van een groot aantal dezer schetsen gezocht worden in cle vereenvoudiging van werkelijke voorwerpen, die, op grond der wet van de geringste krachtsinspanning, werden gecondenseerd en gestyliseerd, hoe langer hoe meer tot meetkunstige schetsen misvormd en herleid; het teeken in den vorm van een kam zou bij voorbeeld eene schets van een hand voorstellen.

Over welke, middelen beschikte de kunstenaar der quaternaire periode om zoo vele verschillende figuren uit te voeren ; om zoo vele dieren, menschelijke wezens, overeengekomen teekens af te beelden? De graveur en beeldhouwer arbeidde met één enkel stuk gereedschap : een graveerstift, een lemmet van silex dat in een schuinen kant uitliep. Met dit eenvoudige werktuig kon men gemakkelijk in kalklagen of in zandsteen werken. De schilder ontdekte spoedig minerale kleurstoffen in zijn omgeving, vooral roode oker (ijzer), zwarte oker (mangaan) en andere soorten oker (wijnrood, lichtbruin en geel). Opgravingen, in de terreinen van het rendiertijdvak ondernomen, hebben tal van steenbrokken aan het licht gebracht, die sporen vertoonen van met een silex afgeschrapt te zijn. Soms sneed de kunstenaar een stuk kleur afgevenden steen in den vorm van een grof potlood. Doch bijna altijd voerde hij zijn fresco's met een penseel uit. Tot dat doel werd de oker in een kom met een steen verbrijzeld, en waarschijnlijk met vet of merg gekneed. Verschillende voorhistorische menschelijke woonplaatsen, vooral in Euzies, leverden kommen en paletten op, die nog sporen van oker droegen. Het eenige wat dan nog aan den kunstenaar faalde, was een middel om de duistere gang waarin hij werkte, te verlichten. De gelukkige ontdekking van Rivière, die uit den bodem van La Mouthe eene lamp haalde, vervaardigd van een uitgeholden steen, waarin Berthelot de verkoolde sporen van een vette zelf-