is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

:i si;

DE HERSENEN VAN DEN HOND.

oen voert —, maar voorts verandert bij velen van deze dieren het karakter; zij verliezen blijkbaar het begrip van hun verhouding tot hun stalgenooten. Zij worden bijterig, prikkelbaar en soms ook volkomen stompzinnig.

Zooals de zaken thans staan, mogen wij aannemen dat de bewustheid en daarmede het verstandige in de handelingen optreedt in dezelfde mate waarin de voorhoofdskwab ontwikkeld is.

En nog iets anders zien wij eerst optreden bij eenige hoogere zoogdieren, juist bij dieren met meer ontwikkelde voorhoofdskwab, nl. wat men gewoonlijk gemoedsbewegingen noemt. Hoe duidelijk blijkt niet bij onzen hond, dat hij liefde en haat, vreugde en verdriet kent, en hoezeer is dat de vraag bijv. bij het konijn, den mol, de muis! Hoe groot is in dit opzicht niet reeds de afstand tusschen paard en rund! Daarmede stemt overeen, dat wij echte zielsstoornissen tot nog toe slechts bij dieren met ontwikkelde voorhoofdskwab kennen, ja dat deze bijna alleen bij honden zijn waargenomen.

Het volkomen doelmatige, herhaaldelijk in verband met het te bereiken doel wisselende handelen van de hoogere zoogdieren, ook van de niet door menschelijke dressuur „vervalschte" naturen, vertoont zooveel dat op verstand wijst, dat ik er niet over denk om mede te gaan niet degenen die deze zijde van het geestesleven bij de dieren willen ontkennen. Het is al voldoende er op te wijzen, hoe voorzichtig bijv. roofdieren de vallen leeren vermijden, hoe vernuftig hond, wolf en vos zijn in het beoordeelen van voor hen gevaarlijke sporen en teekens; men behoeft slechts getuige te zijn van de vaak met listen verbonden jacht, om tot de overtuiging te komen dat een, zij het ook niet zeer ver reikend, verstand met sommige handelingen der dieren gepaard gaat. Ongetwijfeld moeten wij er aan denken om bij de beoordeeling van handelwijzen van dieren niet een menschelijken maatstaf aan te leggen, en moeten wij altijd trachten er met de eenvoudigste, niet met de meer gecompliceerde verklaring te komen. Willen wij hier goed begrijpen, dan moeten wij niet aldoor verbaasd staan, wat een dier wel kan, wij komen veel verder wanneer wij