is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1910 (4e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

394

DE VERSPREIDING VAN PARASITISCHE ZWAMMEN.

besproeien met „Bordeauxsche pap" of andere zwamdoodende vloeistoffen de ziekte dadelijk bij haar optreden met kracht bestreden kan wórden, maar als men alle omstandigheden in aanmerking neemt, dan wordt men toch eenigszins sceptisch gestemd omtrent de afdoende werking van deze besproeiing: in droge zomers pleegt de ziekte weinig offers te eischen, omdat de planten grooter weerstandsvermogen hebben; men is dan licht geneigd het uitblijven van den „valschen meeldauw" aan het gebruik der zwamdoodende besproeiing toe te schrijven. Maar geheel anders is de stand van zaken in een //Peronospora-jaar" ; dan baat ook het veelvuldigst besproeien niet; ondanks alles breidt de zwTam zich dan met verontrustende snelheid uit, omdat de climatische factoren gunstig voor haar ontwikkeling zijn. Toch mag die overtuiging ons niet beletten, haar met alle ons ten dienste staande middelen te bestrijden, al heeft het zijn nut, dat wij ons van onze machteloosheid tegenover de factoren, die haar begunstigen, bewust zijn.

Veel merkwaardiger voorbeeld van snelle verspreiding levert ons de meeldauw, een plant, die lot de Perisporiaeeeén behoort en waarvan de zwam vlokken, die zich over de oppervlakte der bladeren uitbreiden, een groote hoeveelheid sporendragers (conidiën) ontwikkelen, welke meestal uit een korten drager bestaan, aan welks uiteinde snel na elkander eivormige sporen ontstaan. Daardoor wordt een keten van sporen gevormd, die eerst wanneer deze rijp zijn, uiteen valt, zoodat de sporen zich in alle richtingen verspreiden. Men heeft aan deze sporendragers den naam van „oidiu/i/" gegeven ; het aantal hunner conidiën is onbeschrijfelijk groot-, de bladeren en takken der hoogere planten zijn vaak volkomen wit bestoven en de naam „meeldauw'' is dus zeer juist gekozen. In het jaar 1845 werd deze zwam het eerst door Tucker in Engeland bij Margate waargenomen en twee jaar later door Berkeley nader onderzocht. Toen Montagne in 1850 aan de Academie een verslag er over uitbracht, maakte Dupuis de opmerking, dat hij de zwam reeds in 1834 te Lyon had waargenomen, maar zelfs indien deze opmerking juist geweest is, kan cle zwam toen toch nog geen schade van eenige beteekenis hebben aangericht; zeker