is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1906 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VAN HET MENSCHELIJK LICHAAM.

27

het warm of koud is, worden aangetoond. Wie onzer heeft nooit in een beestenspel de reuzenslangen, die in de natuur zoo gevaarlijk zijn, rustig en onschadelijk op de schouders van den dierentemmer zien liggen? Ongestraft kan men ze aanvatten, en dat alleen omdat bij de betrekkelijk lage temperatuur onzer streken, de cellen der slangen slechts zeer langzaam haar werk doen. Hoe geheel anders wanneer het dier verwarmd wordt! Hoe vreeselijk is het dan niet!

Eveneens is het gesteld met krokodillen en alligators. Ook deze laten bij de warmte, die in onze streken heerscht, alles met zich doen, terwijl zij hoogst gevaarlijk worden zoodra zij warm zijn. In de dierentuinen zijn de groote slangen en krokodillen natuurlijk in verwarmde hokken opgesloten ; de oppassers hebben echter de strengste bevelen, nooit iets met de dieren te ondernemen, voordat zij den warmtetoevoer afgesloten hebben, en ongehoorzaamheid aan dit bevel heeft al vaak aanleiding gegeven tot groote ongelukken.

Overeenkomstige verschijnselen nemen wij waar bij den winterslaap van sommige warmbloedige dieren, die, zooals b.v. onze gewone egel, het vermogen hebben om, onder den invloed van de winterkoude, tijdelijk in zekeren zin koudbloedig te worden. Hun eigen warmte daalt dan ongeveer tot de temperatuur der omgeving, zij slapen in en hun levensfunctièn nemen evenzeer af als die der koudbloedige. Zoo brengen zij den winter door, zonder dat zij voedsel behoeven te zoeken. Toch kan dit niet als een overgangstoestand tusschen koud- en warmbloedige dieren-beschouwd worden, want zoodra de winterslaap geëindigd is, hebben de dieren weer alle eigenschappen der warmbloedige dieren terug gekregen.

Wij zien dus, dat de koudbloedige dieren voor hun warmte van de natuur buiten hen afhankelijk zijn, terwijl de warmbloedige, en dus ook de mensch, zich de warmte, die zij voor de goede werking hunner cellen noodig hebben, zeiven verschaffen.

Dit laatste geschiedt met behulp onzer spijzen. Wij nemen voedsel op om arbeidsvermogen te verkrijgen, en het grootste gedeelte daarvan gebruiken wij voor onze dierlijke warmte.