is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1906 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DER RECHTSWETENSCHAP.

135

de rechtskunde nog het meest als techniek kunnen bestempelen. Onder „techniek" moet eene leering worden verstaan, die zich het verkrijgen van regels voor practisch handelen, voor het vormen van de werkelijkheid ten doel stelt. In dien zin zou men, behalve de eigenlijke technische leeringen als machinebouwkunst, mijnbouwkunde, enz., onder anderen de veldheerkunst, de staatkunde en ook de onderwijskunst of pedagogie daartoe moeten rekenen. In dit verband kan de rechtskunde geschakeld worden, inzoover zij op de wijze eener techniek, den jurist het materiëel voor zijn beroep levert, d.i. voor de toepassing van het recht, en in deze practische taak hare ware bestemming vindt. Doch een belangrijk onderscheid tusschen haar en de machinebouwkunst, de veldheerkunst, de staatkunde, pedagogie, enz. bestaat hierin, dat laatstgenoemden zeiven de regels opstellen voor het practisch handelen; eene taak, die op juridisch gebied niet wordt verricht door de rechtskunde, maar door het positieve recht zelf. De rechtskunde heeft niets anders te doen dan den inhoud dezer regelen nader te bepalen.

Intusschen zijn al deze terminologische quaesties: of zij eene wetenschap, eene techniek enz. is, slechts van ondergeschikte beteekenis. Van werkelijk belang zijn alleen de methodologische tegenstellingen, die zich door geen terminologie laten te niet doen. Zelfs indien men een bruikbaar begrip van „wetenschap" kon vinden, dat ook de rechtskunde omvat, zou het feit toch onveranderd blijven, dat de rechtskunde niet dient tot het kennen van de werkelijkheid, maar voor het zuiver practische doel der rechtstoepassing; en dat zij hierdoor met vele — naar onze meening met alle — wetenschappen eene tegenstelling vormt, die in beginsel zoowel als in bijzonderheden beslissend werkt op de methode en positie dezer leering. Vooral moet het er bij blijven, dat de juridisch-theoretische gedachtenarbeid niet om der wille van zichzelf recht van bestaan heeft, maar slechts inzooverre hij der practijk kan baten; en elk dien het streven naar kennis hooger staat dan het streven naar practische doeleinden, moet aan de wetenschappen (in den door ons genoemden zin) den voorrang boven de rechtskunde schenken.