is toegevoegd aan uw favorieten.

Wetenschappelijke bladen, 1906 (3e deel) [volgno 2]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

210

DE KELTISCHE GEEST IN DE LETTERKUNDE.

zij ons nooit op het denkbeeld hebben gebracht, dat er een lang tijdperk van groote beschaving lag vóór Homeros, wat wij nu toch als een feit erkennen. Dante plaatst zijn Commedia in de bovennatuurlijke wereld, doch hijzelf leeft volkomen in het heden en houdt zich slechts bezig met het vonnissen van menschen, die hij heeft gekend. Geheel anders was dit met de Keltische reizigers naar de onderwereld, wier vizioenen het prototype van de Divina Commedia zijn. Milton bezong het ontstaan der wereld, doch wij verbazen er ons thans vaak over hoe hij zich, in volstrekte disharmonie met zijn onderwerp, instinctmatig bezig hield met de idealen, ontdekkingen, zelfs met de mechanische toepassingen van zijn eigen tijd.

Dit gevoel voor het verre als iets ver verwijderds, is een hoofdtrek van de wijze waarop de Keltische dichters hun onderwerp opvatten. Een andere trek die nooit gemist wordt, en dus even belangrijk is, vindt men in de decoratieve methode van behandeling. Ik bedoel hiermede dat zij altijd zoeken naar schoone, harmonische details. De bladzijden eener Keltische romance zijn als geweven behangsels met forsche omtrekken en krachtig van kleur, in de Iersche verhalen ; of met zachte, bij elkaar passende kleuren, en slechts even zichtbare, uitvloeiende lijnen, in die van Wales. In beide gevallen komen zij het effect van een oud, geweven behangsel meer nabij dan iets anders in de literatuur.

Wij moeten hier doen opmerken, dat deze eigenschappen der Keltische letterkunde, waaronder wij in de eerste plaats noemen vindingrijkheid en groote vatbaarheid voor indrukken, twee kwaliteiten die verbonden, of eigenlijk één zijn, berusten op zekere psychische eigenschappen van de makers dier letterkunde. De snelle geesteswerking van den Kelt blijkt uit zijne verrukkelijke geestigheid, uit zijne neiging tot borduren bij het duen van verhalen of (volgens sommigen) tot liegen, uit zijn vermogen tot het verbinden van absoluut onzamenhangende denkbeelden. Nog eens, groote vatbaarheid voor indrukken, snel, vrouwelijk ingaan op, of reageeren tegen uitwendige prikkels, valt het eerste bij hem op. Het is eene zenuwwerking, tot op zekere hoogte eene geestelijke eigenschap, en volstrekt niet eene kwestie van